Nooit meer in de kast

Zijn mede-erfgenamen zijn vertrokken, maar Brian blijft waar hij geboren is.

‘Wat zei dat kind, dat onze gids zo pissig maakte?” vraag ik bij het verlaten van de Zoeloehut. Brian gebaart me te wachten tot de andere bezoekers én de gids buiten gehoorsafstand zijn. Hij kan zijn lachen amper bedwingen. Hij is in deze contreien geboren en spreekt vloeiend isiZulu, dus hij kon de woordenwisseling volgen tussen het traditioneel geklede tienermeisje en onze niet veel oudere gids, met zijn baseballpet en gympen van Nike.

„Eiste zij een deel van zijn tips op?” dring ik aan.

Het is een jaar of twaalf geleden. Brian, vriend van gemeenschappelijke vrienden, had ons een bezoek afgeraden aan deze nagebouwde kraal. „Een rattenval voor toeristen.” Toen we volhardden, stond hij erop ons te brengen met zijn pick-uptruck — ‘my bakkie’ noemt zelfs hij dat, in accentloos Afrikaans. Hij is op en top een Britse gentleman, ofschoon altijd in een slordig tropenhemd en eeuwig op sandalen.

We logeren een week in de koloniale villa die al generaties het kroonjuweel vormt van de suikerrietplantage van zijn familie. Deze regio, gelegen aan de Indische Oceaan, ooit beroemd om zijn zachte rum en zijn korrelige suiker, wordt geplaagd door oprukkende droogte. Velen voorspellen dat het land, en zeker deze provincie, ook politiek instabiel zal worden, nu Mandela is vrijgelaten. Brian is de enige van drie erfgenamen die wil blijven wonen in kwaZu-Natal. Hij ziet een toekomst voor het nieuwe Zuid-Afrika.

Vijf jaar later zal hij de andere twee erfgenamen uitkopen, alle akkers van de hand doen en de Victoriaanse villa ombouwen tot gay guesthouse. Hij kookt en kuist zelf, trouw bijgestaan door de helft van zijn vroegere personeel. Als bescheiden hotelpatron houdt hij meer over dan als plantagetycoon. Niet dat hij zijn afkomst vergeet. „Ik slaap in het bed waarin ik ben verwekt en gezoogd”, zegt hij vaak. Even vaak zegt hij: „Op een goede nacht zal ik in dat bed worden doodgeslagen met een hamer of een maaimes, zoals wel meer van mijn buren.” De toon waarop hij beide mededelingen doet, verschilt nauwelijks. Mild spottend, een en al flegma. Hij heeft een pluizig baardje, peper en zout, en blauwe ogen met kraaienpootjes van het afwisselend lachen en tobben.

Twee jaar geleden werd hij bij nacht en ontij overvallen door vier nozems. Ze sleurden hem zijn ouderlijk bed uit, bonden hem vast op een stoel en martelden hem. „Mijn redding was”, zegt hij, de weinige keren dat hij erover praat, „dat ik de taal kende. Dat verwarde en ontwapende hen. Ik bleef maar herhalen dat ik geen wapens had, en dat ik de plantage juist had moeten verkopen omdat al mijn geld op was. Na een laatste rotklap lieten ze me achter, vastgebonden en bloedend.”

Zelfs na dat voorval heeft hij geen alarminstallatie laten plaatsen, geen veiligheidsdeuren, geen tralies voor de vensters. „Het vloekt met de stijl van mijn cottage”, lacht hij, obligaat slap handje in de zij, „en met de filosofie van mijn guesthouse: eens uit de kast, altijd uit de kast. Ik wil nooit meer leven in een burcht.”

Zijn vrienden en zijn personeel gingen door het lint toen ze hoorden dat hij die onzalige nacht wel degelijk geld in huis had. Vijftigduizend rand, een fortuin. Het lag in een plastic tasje bovenop een kast in de slaapkamer. „Had ze dat dan toch gegeven!” „Ben je gek? Dan hadden ze me kapotgemaakt en de boel in brand gestoken om hun sporen uit te wissen. Nu komen ze nooit meer terug. Bij mij valt niets te vangen, daar zijn ze nu wel achter. Een man die zijn gronden verkoopt en die alleen slaapt? Hoeveel kan zo iemand waard zijn?”

„Wat wilde dat schone kind nu?” drong ik dus aan, twaalf jaar geleden. De hut die we verlieten ligt in een uithoek van de kraal, die volgens onze hippe gids een replica is van de residentie van Shaka Zulu, ‘de Napoleon van Afrika’. Op een andere plaats in de kraal werden we vergast op een gevecht tussen ‘echte Shaka-krijgers’. Toen ze de Britten in de pan hakten, waren ze met duizenden. Nu zijn ze met twee en gaan, gekleed in versleten beestenvellen, elkaar lusteloos te lijf, een keer of twaalf per dag, met schild en roestende assegaai, en met lauw applaus toe.

„Ze kenden elkaar niet eens”, lacht Brian. „De gids schrok zich eerst te pletter: ‘Wie ben jij, wat doe jij hier?’ Het meisje snauwde dat ze haar vriendin verving, die naar Durban moest voor een of andere party. Hij riep dat zoiets vooraf moest worden gemeld. En dat ze huishoudelijke taken hoorde te doen, minstens de hut aanvegen. ‘Ik val nog liever dood’, beet ze, handen koppig in de zij.” „En dat was al?”

„Nee”, grijnst Brian. „Als hij nog langer zo verlekkerd naar haar blote tieten keek, zou ze eens bellen naar zíjn vriendin.”