Niet ziek worden

Koelbloedig volhouden dat niemand ziek is. Dat is de kunst.

Foto stock.xchng syringe FOTO: stock.xchng

We gingen brunchen bij Hugh Gusterson, een Britse hoogleraar antropologie uit de buurt. Hij vertelde enthousiast over het antropologensymposium dat hij in de stad zou organiseren. Het droeg de fijne titel ‘De onzekere Amerikaan’. Tal van antropologen onderzoeken de Amerikaan. En zij stellen nogal unaniem vast dat de Amerikaan, in tegenstelling tot zijn imago in de wereld, een labiel wezen is, bang voor van alles. Daar moest ik heen.

Helaas kwam er iets tussen. Mijn dochter, drie jaar oud, stond die dag namelijk op het punt een hartafwijking te krijgen. Bij het eerstvolgende telefoontje van de kinderarts, die nog op wat testuitslagen wachtte, zouden we ons naar de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis moeten haasten. Daar zouden ze haar dan twee dagen lang volpompen met immuun globuline. Dit om het barsten van haar bloedvaten hopelijk vóór te zijn.

Ik geef maar even weer hoe je hier de diagnoses van je kind krijgt toegediend.

Het sloot allemaal naadloos aan bij het thema van het congres, dat wel. Daar, begreep ik later, had hoogleraar antropologie Joseph Dumit uit Californië ook een verhandeling gehouden over de onzekere Amerikaan en de gezondheidszorg. Die, betoogde Dumit, komt tegenwoordig neer op „een statistische oefening in risicomijding”.

Ongeveer op het moment dat Dumit die lezing moet zijn begonnen, zakte bij mijn dochter de koorts. En zie. Spontaan bleek zij genezen van „zeer wel mogelijk de zeldzame ziekte van Kawasaki” waarmee de dokter ons met de beste bedoelingen op stang had gejaagd. Een ziekte die maar bij ongeveer 15 op de 100.000 kinderen onder de vijf jaar voorkomt. Meestal bij jongetjes. Van Aziatische afkomst.

Nu zijn er vast mensen die van Kawasaki hebben gehoord en willen waarschuwen dat het heel belangrijk is die ziekte zo vroeg mogelijk te onderkennen, indien aanwezig. Dat is beslist waar. Zo vertelde de dokter het ook. Zij is verstandig. En we hebben haar juist uitgekozen om haar kalme aanpak.

Maar hier speelde meer: een Amerikaanse versus een Europese opvatting van gezondheidszorg.

En ik had ook wel wat recht op scepsis.

Vorig jaar was mijn zoon (5) na een routinecontrole door een andere arts naar het kinderziekenhuis gestuurd, waar men ons bleek te verwachten op de afdeling oncologie.

Mochten ze me even van de „serieuze mogelijkheid” doordringen dat mijn zoon leukemie had? Er moest beslist allerlei bloedonderzoek worden uitgevoerd – al was er nog wel een uurtje over om mijn creditcard en mij op kredietwaardigheid te testen. „Dit soort behandelingen zijn enorm kostbaar, realiseert u zich dat?”

Toen volgden veel prikken en vier ijselijke uren in de wachtkamer. Daarna de mededeling dat er helemaal niets aan de hand was. Bedankt! En tot ziens!

Of neem de arts van wie ik steeds peperdure oordruppels met antibiotica voor mijn dochter moet kopen. Is er iets ernstigers met haar oren aan de hand dan dat er buisjes in zijn geplaatst? Nee, maar het zijn Nederlandse buisjes, dus die vertrouwen ze niet. Altijd volgt: „Er is wel kans op infectie!”

En hoe zou ik durven inschatten of die kans reëel is? Dus ik ga weer naar de apotheek. En dat heeft ook wel weer vermakelijke kanten. Steeds levert dit de volgende scène op:

De apotheker haalt het bewuste flesje ter grootte van twee vingerkootjes tevoorschijn. Hij kijkt in zijn computer, en kreunt.

„Wow. Dit is héél duur.”

Ik, gepokt en gemazeld: „I know.”

„Honderdzeventig dollar!”

Dan is er altijd iemand in de rij (er is ook altijd een rij) die uitroept: „O! My! God! Did you hear that?”

Of : „Honderdzeventig dollar! It’s a disgrace!”

Waarna een litanie van klachten over de Amerikaanse gezondheidszorg volgt.

De gemiddelde Amerikaan, stelde antropoloog Joseph Dumit vast, haalt dertien keer per jaar een door de dokter voorgeschreven medicijn op bij de apotheek. En de meeste van die medicijnen zijn niet bedoeld om de patiënt beter te maken, maar om te voorkomen dat de patiënt ziek wordt. Volgens Dumit komt dat door de aanname dat iedereen „in principe ziek is”. De gezondheidszorg in Amerika is niet bedoeld om mensen te genezen, maar om te vermijden dat Amerikanen ziek wórden.

Daarom slaat een Amerikaanse arts alarm bij de geringste kans op een ziekte. En als Europeaan moet je koelbloedig leren vaststellen dat dit nog niet betekent dat er iemand ziek ís.

Dochter hangt alweer juichend aan het klimrek, maar de kinderarts blijft bellen, met steeds nieuwe uitslagen van nieuw onderzoek. („Ik had nog wat bloed in de vriezer bewaard.”)

„Ook geen Pfeiffer, godzijdank!”

„Haal maar rustig adem, géén hepatitis A, B, of C!”

„Had je de streptokokkenuitslag eigenlijk al gehad? Géén streptokokken.”

Mooi. Mogen we dan alstublieft weer even dóórleven?