Minister Plasterk

Minister Plasterk neemt, zo lees ik, de aanbevelingen uit het rapport Rinnooy Kan grotendeels over. Een uitzondering betreft de aanbeveling dat hoger opgeleide leraren er automatisch salaris bij krijgen. Met deze uitzondering verwijst Plasterk in feite het hele rapport naar de prullenmand.

De minister heeft blijkbaar het lef niet om de weg die de commissie voor hem heeft geplaveid te volgen. Inderdaad lef, want dat heb je nodig om een maatregel te nemen die de schoolbesturen duidelijk niet willen en die ook indruist tegen wat ik zou willen omschrijven als een primair gevoel van rechtvaardigheid.

Laat ik met het laatste beginnen. De tweedegraads leraar die lesgeeft op een vmbo met veel taalzwakke, vaak allochtone leerlingen heeft het zwaarder dan de leraar op een lelieblank gymnasium. De eerste wordt dagelijks geconfronteerd met ernstige maatschappelijke problemen, de laatste kent het genot van de uitdaging te werken met geïnteresseerde kinderen met een vergelijkbare sociale achtergrond. Hoewel zijn werk zo nu en dan een haast hobbyistisch karakter heeft, geldt ook voor hem dat het leraarsberoep gewoon hard werken is en dat hij dat werk alleen wil doen als hij daarmee ongeveer net zo veel verdient als zijn vroegere studiegenoten met een baan elders. Is dat niet het geval, dan kiest hij voor een baan buiten het onderwijs en komt er in zijn plaats een leraar die, na zijn havo-diploma te hebben behaald, koos voor de simpelste studierichting die de hogescholen in huis hadden: de lerarenopleiding. Voor die leraar zal het werk overigens geen hobbyistisch karakter hebben, want hij zal zich vanwege zijn beperkte kennis van het vak, angstvallig houden aan het leerboek. Jammer voor de leerlingen en natuurlijk rampzalig voor de maatschappij want daarmee kweek je nou niet bepaald de geïnteresseerde studenten die we nodig hebben op weg naar Lissabon.

Nu de bestuurders. Die willen dat een school goed marcheert. Voor hen zijn de beste leraren degenen die met een zeker enthousiasme al die hand- en spandiensten verrichten die nodig zijn om de boel draaiend te houden. Dat een leraar zijn leerlingen wat zijn vak betreft niet meer meegeeft dan wat zij voor het eindexamen strikt moeten weten, is voor het management hooguit bijzaak. Veel belangrijker is dat hij nooit moeilijk doet omdat hij bijvoorbeeld meent dat zijn vak in de knel komt. Elke schoolleider kan zo een aantal tweedegraads leraren aanwijzen die voor zijn organisatie crucialer zijn dan de gemiddelde eerstegraads leraar. En dan zou hij die laatste meer moeten gaan betalen? Dus moest alles in het werk worden gesteld om Plasterk van dit heilloze voornemen af te brengen.

Dat is nu dus gelukt en daarmee is eens te meer gebleken dat het de bestuurders zijn die in Nederland de onderwijspolitiek bepalen. Met hun omvangrijke lobby-apparaten slagen zij er altijd weer in politici en hoge ambtenaren voor hun belangen te winnen. Aanvankelijk dacht ik dat Plasterk tegen die druk zou zijn opgewassen. Met Rinnooy Kan had hij in dit geval bovendien iemand aan zijn zijde die het onderwijs is toegedaan en er moeilijk van kan worden verdacht geen oog te hebben voor de belangen van bestuurders. Ik vraag me af of Plasterk hem ooit heeft uitgenodigd om over de essentie van het rapport met hem van gedachten te wisselen. Ik kan het me niet voorstellen, want in feite wijst hij die essentie af. Het register van leraren, een wezenlijk onderdeel van het oorspronkelijke advies, wordt nu een onnozel zoethoudertje. Het blijven de bestuurders die de scholing bepalen en wat is praktischer en goedkoper dan voor alle leraren, ongeacht het vak dat zij doceren, dezelfde inhoud?

lgm.prick@worldonline.nl