Letterkundige musea

Heel Nederland is een nationaal museum. We hebben dat nieuwe Nationaal Historisch Museum helemaal niet nodig. Als vaders in plaats van zondags naar voetballen te gaan, met hun kinderen gingen wandelen en fietsen door Nederland en hun de plaatsen van herinnering zouden aanwijzen, dan hoefden die ook niet zo nodig in schoolverband een verplicht museumbezoek af te leggen. Want laten we eerlijk zijn: een nationaal museum is ook een soort excuus-Truus. Als we dat maar hebben, dan kan elke ouder en elke leraar die zijn kind of leerling daarheen gesleept heeft, zich op de borst kloppen en zeggen dat hij zijn kind of leerling historisch besef heeft bijgebracht. Ik zie de kindertjes uit de Gerrit van der Veenstraat al door hun ouders in PC Hooft-tractoren gebracht worden naar het Nationaal Historisch Museum voor hun verjaardagspartijtje. 50 euro per kind, met historisch verkleden en een middeleeuwse maaltijd toe.

Laat de mensen maar eens beginnen hun eigen museum op orde te maken. ‘Eer je vader en je moeder’, staat er in de tien geboden, en dat is altijd veel te weinig uitgelegd in de historische betekenis: eer je voorgeslacht en alles wat dat bereikt heeft. Historisch besef begint op je eigen canapé, laat dat vooral duidelijk zijn. En vervolgens in je eigen straat en dan in je eigen dorp of stad.

Maar goed, we krijgen dat nationaal museum toch. Dus moeten we zien daar het beste van te maken. De uitgangspunten lijken te kloppen. Er is voor de chronologie gekozen, die zelfs letterlijk in het gebouw terug te vinden is, doordat de eeuwen elk een eigen verdieping krijgen. Het verleden wordt gestapeld, en zo is het gebouw de concretisering van de historische opeenvolging. Verder zijn de 50 canonvensters het uitgangspunt. Dat komt dus wel goed: een beetje cultuur, een beetje politiek, een beetje koningshuis, een beetje dagelijks leven, een beetje techniek.

Vrijwel buiten de discussie is gebleven dat er een paar nationale musea zijn die zich moeten heroriënteren door het nieuwe topmuseum. Het Letterkundig Museum bijvoorbeeld. In het nationaal museum komen enkele literaire topstukken, zoals Annie M.G. Schmidt en Hebban olla vogula, maar voor de rest zijn we aangewezen op het Haags museum. Literatuur, we weten het allemaal, is bepaald niet museaal. Vooral in oude letterkundige musea gewijd aan één enkele schrijver, slaat de verveling al gauw toe. Nog een manuscript, nog een inktpot en een ganzenveer, nog een eerste druk en dan nog een haarlokje van het eerste kindje en we zijn door het museum heen. Alleen de echte liefhebber voelt zijn adem afgesneden worden als hij de nederige woning van Friedrich Schiller binnenkomt, waar het nog steeds ruikt naar ziekte. Of als hij de krakende trappen van het Multatuli-Museum bestijgt, en de donkerrode divan ziet waarop de amechtige schrijver zijn laatste adem uitblies. Maar ik kan me niet voorstellen hoe ik een 3 HAVO groep met enige Achmeds, Wendy’s en Sydneys met aandacht en zonder ongelukken het Letterkundig Museum doorgeloodst zou krijgen. Niet eens proberen? Gewoon besluiten dat literatuur per definitie museumkreupel is en alleen met een elitair gymnasiumgroepje hoogste klas erheen gaan? Aanvaarden dat een letterkundig museum niet meer publiek kan bereiken dan de lezende grijze golf? In elk geval heb ik nog geen literair museum in binnen- of buitenland gezien dat het probleem bewonderenswaardig en navolgenswaardig opgelost heeft. Het pretentieuze Victor Hugo-museum in Parijs, waar honderden scholieren per dag in uniform doorheen gaan, probeert via filmbeelden de aandacht vast te houden. In Engeland doen ze met de vele schrijvershuizen niets anders dan de toenmalige historische werkelijkheid geven, zo mogelijk inclusief de pispotten in de beddenkastjes en de schuurzeep in de keuken, zoals ik zag in de verschillende Dickenshuizen en bij de Brontë-pastorie. Heel mooi, en voor historische schrijvershuizen ook de juiste manier, maar alleen opwindend voor de geestverwanten van Boudewijn Büch.

Het Nederlands Letterkundig Museum heeft een donatie van anderhalf miljoen gekregen ‘van een instelling die onbekend wenst te blijven’ en een toezegging van zes en een halve ton van Plasterk. Daarmee wil het een nieuw tijdperk ingaan. Het kinderboekenmuseum zal flink worden uitgebreid. De portretten van schrijvers, die nu aan de muren hangen alsof er morgen een noodveiling zal plaatsvinden, zullen met meer egards opgehangen worden. Er komt een pantheon van honderd schrijvers door de eeuwen heen. Elk van deze schrijvers krijgt een minimuseumpje voor zich.

Dat zijn goeie plannen. Het blijft jammer dat het Letterkundig Museum in zo’n onooglijk gebouw gehuisvest is, en bovendien zou het eigenlijk in Amsterdam moeten staan, maar ook hier geldt: toch het beste zien te maken van dat gegeven paard. Laten we maar eens doen alsof we mee mogen denken over een nieuwe inrichting. Hoe kun je een literair museum spannend maken? Het kinderboekenmuseum in hetzelfde gebouw blijkt meteen sinds de oprichting de juiste toon te hebben gevonden. De visualisering is er onorthodox en oneerbiedig aangepakt, er is een aardige mix van wedstrijdje spelen en zelf iets in elkaar knutselen gevonden, er is beslotenheid gecreëerd die blijkbaar in een behoefte voorziet. Als we er nu van uitgaan dat mensen net grote kinderen zijn, dan zijn we misschien al een stuk op weg.

De nadruk zou wel op de literatuur en de schrijvers moeten blijven liggen, maar steeds vanuit het lezersstandpunt. Hoe leerden de middeleeuwers Reynaert de Vos kennen? Je zou kunnen proberen de verschijningsvormen van de literatuur en de manieren waarop er gelezen of geluisterd werd tot leven te brengen. Dat betekent dat de middeleeuwse verteller aanwezig moet zijn, en de rederijker uit de zestiende eeuw. Herman Pleij oppert in zijn nieuwe literatuurgeschiedenis dat stukken zoals Mariken van Nieumeghen voor de poppenkast geschreven zijn – dan moet er ook poppenkast in het letterkundig museum komen. De zeventiende eeuw moet op toneel verbeeld worden. De negentiende eeuw is de eeuw van de rondreizende schrijver die in het openbaar gedichten voordraagt. Laat hem declameren. De twintigste eeuw is die van Poetry International. Hoe dit alles te tonen? Virtueel – via animaties, driedimensionale vertellers, via oude filmbeelden of via oud-gemaakte filmbeelden. Wie verbiedt het om Vondel te reanimeren en hem tot het publiek te laten spreken? We kunnen Adriaan van Dis gesprekken laten houden met Couperus, Kloos en Betje Wolff. Maar dan niet gespeeld door een altijd weer herkenbare Pierre Bokma, Willem Nijholt of Renée Soutendijk, maar gemaakt via een computerconstructie op basis van overgeleverde portretten. In het Amsterdams Historisch Museum is een schitterende animatie gemaakt van de groei van de stad vanaf de vroegste tijden tot nu. Voor je ogen zie je de uitbreidingen verrijzen. Ik was er in de Museumnacht en de jongeren verdrongen zich voor het immense beeld. Zoiets moet ook ontworpen kunnen worden voor de groei van de leescultuur, waarbij steeds ingezoomd kan worden op specifieke plaatsen.

Komen we zo niet bij een Disneycultuur uit? Ik ben er niet bang voor: een driedimensionale, voorlezende Gerrit Achterberg moet onvergetelijk zijn. Het schijnt te kunnen op basis van tweedimensionale foto’s.

Bij het nieuwe Letterkundig Museum is het tonen van een handschrift nog maar bijzaak. De nadruk ligt op luisteren, op beweging, op mogelijkheden om zelf dingen te voelen, te schrijven, in handen te nemen. Er staan ganzenveren, kroontjespennen, drukpersen en typemachines om te gebruiken. Het toont drama: het laat zien dat Vondel door het Amsterdamse bestuur gekapitteld werd over zijn Gysbregt en dat hij de tekst moest herschrijven. Het toont hoe de berooide Multatuli bij Jacob van Lennep aankwam met zijn manuscript en hoe Van Lennep erin ging krassen. Het toont een beeld van Anne Frank zelf, schrijvend, het laat de kijker meelezen met wat er op het papier verschijnt. En in de kluizen liggen de manuscripten, voor de weinigen die zich erover willen buigen om te achterhalen of er wel staat wat er gedrukt staat.