‘Idool is een sociaal bindmiddel’

Fancultuur is vooral een sociale bezigheid, zegt Maarten Reesink, onderzoeker mediacultuur aan de UvA. Met de komst van internet zijn ook fan communities ten prooi gevallen aan generatieconflicten.

Tracy Metz

Zonder de Dolly Dots had het leven van Maarten Reesink er heel anders uitgezien. ,,Ik kom uit een gezin in Brabant waar men niet aan hoge cultuur deed. Boeketreeks, Harold Robbins, de roddelbladen, dat hadden wij thuis. Toen ik naar een heel klassiek stedelijk gymnasium ging in Breda maakte ik voor het eerst de clash van twee culturen mee.” Over de cultuur die hij van thuis kende werd laatdunkend gedaan. „Dus ging ik natuurlijk in de contramine: geen klassieke muziek, nee, de Dolly Dots. De eerste lp die ik ooit kocht was van hen. De docent Nederlands was woedend!”

Die culturele confrontatie zorgde ervoor dat Maarten Reesink geen bioloog werd, zoals hij eerst had gedacht, maar communicatiewetenschapper. Als onderzoeker mediacultuur aan de Universiteit van Amsterdam houdt hij zich nu bezig met onder andere fancultuur, die sinds begin jaren negentig onderwerp is van wetenschappelijk onderzoek. Reesink wil graag de mythe doorprikken dat fans óf zonderlinge types zijn die op hun kamertje helemaal opgaan in hun idool, óf onderdeel van een hysterische massa.

„Het blijken dat mensen juist sociaal worden dóórdat ze fan zijn. In feite gebruiken ze hun idool als sociaal bindmiddel, als aanleiding om samen leuke dingen te doen. Van blinde adoratie is lang niet altijd sprake. De fanclubs van televisieprogramma’s bijvoorbeeld zijn juist heel kritisch, en komen vaak met suggesties voor andere wendingen in het verhaal. Mensen schrijven zichzelf erin, of oefenen druk uit op de scenarioschrijvers en producenten om andere personages erin op te nemen. De fans van Star Trek, ook trekkies genoemd, hebben zich bijvoorbeeld sterk gemaakt voor een homoseksueel bemanningslid of een zwarte vrouw op de brug van Starship Enterprise.”

Sterrendom, zegt Reesink, is begonnen in de jaren ’10 van de vorige eeuw met de filmindustrie, die als krachtig nieuw massamedium begreep dat het marketen van een ster goed was voor de recettes en de merchandising. „Vanaf de jaren vijftig waren de grote idolen die van de televisie, met de popcultuur in de jaren zestig kwamen de muzieksterren op en in de jaren zeventig ontstond er een fancultuur rond sporthelden. Je kunt je nu bijna niet voorstellen dat kwalificatiewedstrijden tot in de jaren zeventig alleen op de radio te horen waren.”

De opkomst van internet heeft de fancultuur nog verder verhevigd. Op het web zijn er talloze fansites, en de snelheid waarmee fans informatie kunnen uitwisselen en op gebeurtenissen reageren – zowel echte als bijvoorbeeld in ‘hun’ tv-serie – is exponentieel toegenomen. Fanclubs zijn internationale gemeenschappen geworden. In zijn boek Fans, Bloggers and Gamers: Exploring Participatory Culture beschrijft de Amerikaanse wetenschapper Henry Jenkins, directeur van het Comparative Media Studies Program aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT), een aantal gevolgen daarvan. „Fan communities hebben veel vrouwen geholpen de stap te zetten naar internet”, schrijft hij. „De snelheid van de interactie kan de sociale banden binnen die gemeenschap verstevigen, maar anderen hebben weer moeite met de toestroom van onbekenden.”

Jenkins beschrijft ook diverse conflicten die binnen de explosief gegroeide fanclubs op internet ontstaan. Eén is een heus generatieconflict. Vóór internet was er een consensus dat fans geen erotische verhalen schreven over echte mensen (acteurs), maar alleen over hun personages. „Nieuwe fans die fan fiction op het web ontdekten, kenden dit verbod niet of waren niet bereid het te accepteren. Die erotische verhalen over sterren zijn een twistpunt geworden binnen de online fanclubs.” En zo ontstaan er splintergroeperingen die het gesprek onder elkaar voortzetten.

De cultuurproducenten op hun beurt hebben met internet een reusachtige vergroting van hun bereik gekregen. „Het is nu mogelijk om allerlei soorten producten – uit de sport, de muziek, de film, de televisie – in enen en nullen te vatten, die op allerlei terreinen afzetbaar zijn. Dankzij de digitalisering zijn de media gaan convergeren. Zo kan één product als bijvoorbeeld Idols worden verspreid op tv, op video, in de bladen, via games op internet. Het worden multiplatform concepten.”

Reesink bestrijdt het idee dat fans willoze slachtoffers zouden zijn van de marketingmachine van hun idool. „Zeker nu met internet zijn het nog meer dan voorheen participanten geworden. Daarom is er zoveel strijd met de industrie over het begrip ‘intellectueel eigendom’. Jongeren van nu weten heel goed hoe de muziekindustrie werkt; scriptschrijvers gebruiken de fans als focus group om nieuwe plots en personages op uit te proberen. De entertainmentindustrie en de fans kunnen niet zonder elkaar.”

Fancultuur was in eerste instantie niet iets typisch Nederlands, zegt Reesink; heldenverering is hier nooit een nationale karaktertrek geweest. Dat is duidelijk veranderd, zoals uit de foto’s van Raimond Wouda in deze bijlage blijkt. Nog los van de nationale gemoedstoestand, waar Reesink zich niet over uitlaat, is dat in ieder geval een gevolg van de mondialisering van de media.

„De hele wereld is getuige van de rouw om de dood van prinses Diana geweest. De verering van idolen is sindsdien ook in Nederland publiekelijker geworden. We nemen dingen veel sneller van elkaar over als we ze hebben gezien en ons deelnemer hebben gevoeld.”