Hoe het straks verder moet, met het onderwijs

Tineke Netelenbos was gisteren de laatste spreker voor de commissie onderwijsvernieuwingen. „Ik ben blij dat ik eindelijk aan het woord ben.”

Eindelijk zat gistermiddag het ‘standbeeld’ zelf voor de commissie onderwijsvernieuwingen: Tineke Netelenbos, oud-staatssecretaris van Onderwijs (PvdA).

Het woord standbeeld was vaak gevallen in combinatie met haar naam, de afgelopen tweeënhalve week tijdens de verhoren.

Netelenbos wilde „een standbeeld voor zichzelf oprichten” met de invoering van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), zei oud-topambtenaar Ankie Verlaan. Die metafoor werd vervolgens door diverse sprekers overgenomen. De oud-bewindspersoon had dus wat uit te leggen. „Ik ben blij dat ik eindelijk aan het woord ben”, zei ze.

Ze vond het „ernstig”, die standbeeldmetafoor. Ze had geen onderwijsvernieuwingen doorgevoerd om te scoren. Maar omdat ze moest doen „wat de regeringsfracties hadden opgedragen”.

En nee, ze had ook niemand gechanteerd of gedreigd, zo weerlegde ze andere beschuldigingen die voor de commissie waren geuit. Al kon ze zich wel voorstellen dat haar optreden soms „als behoorlijk intensief” was overgekomen.

Netelenbos was de laatste van zo’n tachtig betrokkenen die de afgelopen weken zijn gehoord door de parlementaire onderzoekscommissie onderwijsvernieuwingen. De commissie onderzoekt wat er fout ging bij de invoering van de basisvorming, de Tweede Fase, het ‘nieuwe leren’ en het vmbo. En welke lessen daaruit te leren zijn.

Diverse oud-ambtenaren, ouders, schoolleiders, hoogleraren, Kamerleden, bondsbestuurders vonden dat de verantwoordelijke bewindslieden fouten hadden gemaakt bij de invoering van de vernieuwingen. Dat ze gepusht hebben terwijl de scholen er nog niet aan toe waren, en van bovenaf onwerkbare regels hebben opgelegd.

Deze week mochten de oud-bewindslieden zich verdedigen. Ze staan allemaal nog achter hun beleid. Ze vinden ook allemaal dat het ‘goed gaat met ons onderwijs’.

Jo Ritzen (PvdA), minister van Onderwijs van 1989 tot 1998, vindt dat Nederland het zelfs „voortreffelijk” doet op internationale onderzoeken over onderwijs. Ook Maria van der Hoeven (CDA), minister van 2002 tot 2007, heeft dat altijd gezegd.

Maar het tij keert. Zo bleek deze week uit Pisa 2006, het jongste onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso), dat het niveau van Nederlandse 15-jarigen op zowel wiskunde als leesvaardigheid is gedaald. Van der Hoeven noemde dat „jammer”.

Wat is de oorzaak van die niveaudaling? Dat is een van de centrale kwesties die de commissie heeft beziggehouden. Komt het soms door het ‘nieuwe leren’? Dat is een manier van lesgeven die de nadruk legt op zelfstandiger werken. En meer gericht is op het aanleren van vaardigheden als werkstukken maken, presenteren en samenwerken.

De hypothese, die de commissie lijkt te delen, is dat de aandacht voor vaardigheden ten koste is gegaan van het kennisniveau van scholieren: studenten kunnen niet meer spellen en eerstejaars pabo-studenten niet meer rekenen.

Netelenbos wilde gisteren geen kwaad woord horen over het Studiehuis, een vorm van het nieuwe leren die op veel havo- en vwo-scholen is doorgevoerd. Het Studiehuis was nodig. Jongeren moesten beter worden voorbereid op het zelfstandige werken op hogeschool en universiteit, zei ze. Volgens Netelenbos was parate kennis bovendien niet altijd meer nodig, „omdat je op internet heel veel kan opzoeken”. Het viel haar op dat „jonge mensen tegenwoordig heel goed kunnen praten”, wellicht dankzij het Studiehuis.

Ze gaf wel toe dat de term ‘Studiehuis’ achteraf „misschien niet zo’n handige metafoor” was geweest. Door het een naam te geven werd te veel de indruk gewekt dat het verplicht was voor scholen, terwijl het slechts een richting was waarin scholen zich moesten ontwikkelen.

De commissie komt pas in januari met haar conclusies. Maar het is tijdens de verhoren al wel een beetje duidelijk geworden wat ze straks gaat zeggen.

Bijvoorbeeld dat de onderwijsvernieuwingen te snel zijn doorgevoerd. „De politiek neemt veel tijd voor het voorbereiden van de besluitvorming”, zei Dijsselbloem gisteren. „Maar de scholen krijgen steeds minder tijd.”

De bewindslieden zeiden dat zíj steeds alle tijd hadden uitgetrokken, maar dat de vernieuwingen de tijd niet kregen van de Kamer, de scholen en de leerlingen. Als er klachten waren, werden er te snel weer nieuwe wijzigingen doorgevoerd die de onderwijsvernieuwingen deden verwateren.

Een andere vraag voor de commissie is of de overheid voldoende middelen heeft om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Scholen worden steeds autonomer; wie controleert hen nog?

Van der Hoeven noemde afgelopen donderdag het centraal examen, de kerndoelen – richtlijnen wat kinderen moeten weten in welke klas – en de Inspectie van het Onderwijs als bewakers van het niveau. Maar Dijsselbloem zei dat de kerndoelen onder Van der Hoevens bewind „steeds vager, steeds ongrijpbaarder” zijn geworden.

Misschien heeft de commissie ook op dat punt al een conclusie getrokken: er moeten weer duidelijkere kerndoelen komen. Dan weten scholieren niet alleen hoe, maar ook wát ze straks moeten leren.