Het hoge woord is eruit

Tientallen, zo niet honderden stukjesschrijvers trachten vergeefs hun pennevruchten te bundelen en door een uitgever op de markt te laten brengen.

In een vorig leven wees niets erop dat er regelmatig stukjes van mij in deze krant zouden verschijnen.

Lang geleden maakte ik als copywriter deel uit van een freelance groepje reclamemensen. We bedachten kreten als Bloemen houden van mensen, Henk Nieuwkoop zal je nooit belazeren en O.B. is in. Een van de klanten was Hollands Diep – een literair magazine dat onlangs weer in vernieuwde vorm opdook. Mijn maatjes schaamden zich voor mij omdat ik een cultuurbarbaar zou zijn. Ik vond bijvoorbeeld dat Simenon een groot schrijver was. Zodra de redactie van Hollands Diep langskwam, werd ik weggefrommeld in de bezemkast – met een stickie om me koest te houden, zo ging dat in die tijd.

Aangemoedigd door de reacties op mijn reisverhaaltjes kwam ik op het idee ze te laten bundelen. Een extraatje is nooit weg, dacht ik – en zo’n boekje zou goed verkopen, zeker als er ook een stuk of wat nog niet gepubliceerde bijdragen in zouden worden opgenomen. Op eigen kosten een boekje uitbrengen via een van de uitgeverijtjes die de laatste jaren als paddestoelen uit de grond zijn geschoten, is mijn eer te na. Ik trok de stoute schoenen aan en benaderde verschillende echte uitgevers. Dát viel tegen! Niet één wilde het risico nemen dat mijn bundel al gauw bij De Slegte zou liggen. Ook toen ik aanbood een creditcardbedrijf, een reisverzekeraar en een levensverzekeraar te polsen om een deel van de oplage op te kopen als relatiegeschenk, kreeg ik nul op het rekest.

Eén uitgever hapte in zoverre toe, dat hij ‘iets langers’ van mij wilde zien. Ik mailde het manuscript van mijn zojuist voltooide korte familieroman De hertogin van Halfweg.

Het duurde maanden eer ik wat hoorde. Een uitgave zat er niet in. Ik had begrip voor hun excuus. Als ik een grote literaire ontdekking zou zijn geweest, hadden ze beslist meteen contact opgenomen, vertrouwde de hoofdredacteur mij toe. Hij haastte zich te benadrukken dat ik kan schrijven. Daar kon ik inkomen. „Maar ja, die korte zinnen, dat staccato, dat past niet in onze formule.”

„U krijgt zoveel manuscripten binnen dat u wel gedwongen zult zijn om diagonaal te lezen”, veronderstelde ik. Hij beaamde het volmondig.

„Mijn schrijfstijl leent zich niet voor diagonaal lezen”, zei ik vals: „Je mist de ironie, de fijne nuance, de dubbele bodems, de plot, de clou.”

Na een korte stilte antwoordde hij: „Het heeft niet voor niets zolang geduurd voordat wij reageerden. Het manuscript is langs iedereen gegaan en zorgvuldig beoordeeld. En allemaal vinden we dat u kunt schrijven. Het is alleen niet geschikt voor ons.” Aan het eind van het telefoongesprek was hij zo vriendelijk mij de namen door te geven van twee ‘minder literaire’ uitgevers, namelijk C. en A. Daar zou het best wel eens kunnen lukken. Voor hij de hoorn op de haak legde kwam hij met een argument, dat hij kennelijk voor het laatst bewaard had. „U bent niet bekend”, zei hij. Het hoge woord was eruit.