Het gaat beter in Irak, maar Amerika moet die adempauze wel goed benutten

Washington moet de werkelijke toestand in Irak onder ogen zien: het is een ‘mislukt land’, dat alleen door een buitengewone investering van Amerikaans geld en mankracht bij elkaar gehouden wordt.

Amerikaanse soldaten van de Bravo compagnie, 1ste bataljon, 38ste infanterieregiment onlangs in actie in en rondom de onrustige Iraakse stad Baquba. Daarbij sneuvelden drie militairen. Foto’s Gianluigi Guercia/AFP AFP

Ivo Daalder

Verbonden aan de Brookings Institution in Washington en gasthoogleraar op het Robert Schuman Center in Florence.

Een jaar nadat de Amerikaanse kiezers de Republikeinen uit de macht in het Congres hebben ontzet – omdat het steeds slechter ging in Irak –, is het debat over de oorlog stilgevallen. Ondanks de felle verkiezingsstrijd om de nominatie van de presidentskandidaten is Irak vrijwel uit het politieke vocabulaire verdwenen. Het komt maar zelden ter sprake in de vele debatten tussen de kandidaten, en de kiezers houden zich er steeds minder mee bezig. Dit alles ondanks het feit dat in 2007 meer Amerikaanse militairen zijn gesneuveld dan in enig ander jaar, en dat de kosten stijgen met zo’n honderd miljard dollar per jaar.

Hoe valt deze plotselinge ommekeer in het openbare debat te verklaren? Een van de oorzaken is dat president Bush, hoe slap en impopulair hij ook is, herhaalde pogingen van de Democraten om in Irak van koers te veranderen, heeft weten te stuiten. Zolang hij op Capitol Hill op voldoende Republikeinse steun voor zijn veto’s kan rekenen, en zolang de Democraten zijn financiering van de oorlog niet echt afkappen, zal Bush wat Irak betreft de dienst blijven uitmaken. Enige verandering van betekenis op dit gebied zal dan ook moeten wachten tot 20 januari 2009, wanneer Bush zijn ambt neerlegt.

De andere oorzaak waardoor het debat over Irak vrijwel is stilgevallen, is dat de situatie ter plaatse lijkt te zijn verbeterd – voorlopig tenminste. Er is minder geweld. Er is meer economische activiteit. Steeds meer Irakezen keren naar huis terug. Zelfs enkelen van Bush’ felste critici geven toe: de nieuwe strategie in de strijd tegen de rebellen – de zogeheten surge – werkt.

De grote vraag is bij dit alles: is Bush na vier jaar stuntelen en blunderen eindelijk tegen een winnende strategie aangelopen? Anders gezegd: is er nu kans op een overwinning? Het antwoord is helaas: nee. De troepenversterking en de surge zijn een tactisch succes gebleken, maar zijn nog altijd een strategische mislukking. Ondanks het goede nieuws van de afgelopen weken blijft het besluit om tegen Irak ten strijde te trekken een strategische catastrofe van waarlijk historische proporties. De gevolgen van die catastrofe zullen voor ons – en voor de volgende Amerikaanse president – nog heel lang voelbaar blijven.

Het lijdt geen twijfel dat de toestand in Irak dezer dagen vooruitgaat. Of je nu naar Iraakse gegevens kijkt, naar Amerikaanse metingen of naar statistische gegevens van onafhankelijke zijde, ze wijzen in grote lijnen allemaal in dezelfde richting.

Het belangrijkste is wel dat er over de hele linie minder geweld plaatsvindt – het is terug op het niveau van 2005, van voor de explosie van sektarisch geweld die volgde op de bomaanslag op de moskee in Samarra in februari 2006. Het maandelijkse dodental onder de Irakezen, dat in 2006 zo’n 2.500 à 3.000 bedroeg, is de afgelopen maanden gedaald naar minder dan de helft daarvan. Het aantal aanslagen op Amerikaanse troepen, Iraakse strijdkrachten en Iraakse burgers, dat in 2006 en begin 2007 bijna vijfduizend per maand beliep, is gedaald tot zo’n tweeduizend aanslagen per maand in heel Irak – een niveau als dat van 2004, 2005. Andere gemeten gegevens – zoals de aantallen zelfmoordaanslagen, bermbommen en gesneuvelde veiligheidstroepen – vertonen overeenkomstige dalingen.

Ook de levensomstandigheden van de doorsnee Irakees gaan vooruit. De olieproductie is gestegen, en daarmee ook de beschikbaarheid van benzine aan de pomp. De elektriciteitsproductie is nu hoger dan voor de oorlog, al is de leverantie nog onbetrouwbaar, vooral in Bagdad, waar men maar twaalf uur per dag stroom krijgt. Journalisten die zich buiten de beveiligde Groene Zone in het hart van Bagdad wagen, melden steeds vaker dat buurten tot leven komen – winkels gaan weer open, kinderen spelen op speelplaatsen, het volk is op de been en het leven herneemt ogenschijnlijk zijn gewone loop.

De afgelopen weken is ook een toenemend aantal Iraakse vluchtelingen teruggekeerd in Bagdad en andere steden – sinds half september zeker 25.000 alleen al uit Syrië. VN-functionarissen wijzen erop dat het nog steeds maar „een stroompje is, geen vloedgolf”, en velen keren terug omdat hun visum is verlopen of omdat hun geld op is, en niet zozeer omdat ze geloven dat de omstandigheden in Irak zijn verbeterd. En miljoenen keren nog niet terug.

Is de surge de oorzaak van de verbeteringen die de Irakezen beleven? Uiteraard is het goed voor de veiligheid als er meer troepen zijn, en sedert halverwege dit jaar zijn er in Irak meer Amerikaanse soldaten en mariniers dan ooit tevoren, zelfs tijdens de inval in 2003.

Bovendien heeft een nieuwe strategie vruchten afgeworpen: in plaats van te proberen de vijand uit te schakelen met groot machtsvertoon, dat vaak leidde tot grote aantallen burgerslachtoffers, waardoor de bevolking tegen de Amerikaanse strijdkrachten gekant raakte, zijn de Amerikaanse militaire bevelhebbers eindelijk overgegaan tot beproefde anti-rebellentactieken waarbij het beschermen van de bevolking zwaarder weegt dan het doden van vijanden.

Troepen patrouilleren nu geregeld te voet, vaak samen met Iraakse militairen, en winnen zo het vertrouwen van de plaatselijke bevolking. Het is voor terroristen en rebellen veel moeilijker geworden om op te gaan in de plaatselijke bevolking, en velen houden zich schuil of zijn verraden door gewone Irakezen.

De surge was echter niet de enige verandering. Twee andere factoren hebben de doorslag gegeven. De ene was dat veel sunnitische stamleiders hun koers hebben verlegd en de strijd hebben aangebonden met de terroristische netwerken die onder de rebellen en in hun bolwerken waren geïnfiltreerd. In plaats van de Amerikanen te bestrijden hebben de sunnitische leiders in de provincie Anbar en de wijken van Bagdad besloten om samen met de Amerikanen te vechten tegen Al-Qaeda in Irak en andere invloeden van buitenaf die hun best deden om het sektarische geweld op te stoken. Toen de plaatselijke bevolking hun geen onderdak meer bood, liepen de terroristen snel tegen de lamp.

De ommezwaai van de sunnieten was dus een voorwaarde voor de recente successen. Maar hij kwam al voordat de surge was begonnen, en het besluit ertoe stond los van eventuele veranderingen in de Amerikaanse strategie. De sunnieten waren er niet zozeer op uit de VS te helpen slagen, als wel hun eigen macht en potentieel in verhouding tot andere groepen in Irak te versterken.

Terecht trokken zij de conclusie dat hun kansen veel groter waren als ze de kant van de Amerikanen kozen in plaats van hen te blijven bestrijden. De Amerikaanse strijdkrachten hebben zelfs wapens en ondersteuning verschaft aan veel sunnitische groepen die zich tot voor kort fel tegen de bezetting teweerstelden.

De tweede oorzaak van de recente verbeteringen was dat het sektarische geweld er in belangrijke mate in was geslaagd de sunnieten uit de shi’itische gebieden te verdrijven en de shi’ieten uit de sunnitische. Eén blik op een etnische kaart van Bagdad zegt alles – voorheen gemengde buurten zijn nu merendeels shi’itisch of sunnitisch. Het geweld heeft grote stromen mensen in beweging gebracht – één op de zes Irakezen is ofwel het land ontvlucht ofwel binnen het land elders komen te wonen. Een groot deel van die verplaatsingen heeft ertoe geleid dat delen van het land etnisch homogener zijn geworden, waarmee een belangrijke bron van geweld is weggenomen.

Waar het in feite op neerkomt is dat de surge tactisch dan misschien een succes is geweest, maar strategisch toch een mislukking. Bedenk wel dat de surge oorspronkelijk niet alleen ten doel had de veiligheid te vergroten, vooral in Bagdad, maar ook de daardoor ontstane adempauze te benutten om de Iraakse regering aan te sporen om te werken aan politieke verzoening. „Vermindering van het geweld in Bagdad”, zei president Bush toen hij de nieuwe strategie bekendmaakte, „zal verzoening mogelijk helpen maken”.

Maar ondanks de vooruitgang op veiligheidsgebied is niet één van de belangrijke, voor zo’n verzoening noodzakelijke politieke doelstellingen waarover de Iraakse en de Amerikaanse regeringen het eens waren geworden, gerealiseerd. Er is geen systeem om de olie-inkomsten te verdelen. Er is geen wet aangenomen om de de-Ba’athificatie ongedaan te maken. Ook is er geen overeenstemming bereikt over een nieuwe kieswet, en zijn er geen provinciale verkiezingen gepland. In plaats van milities te ontmantelen hebben de Amerikanen, door sunnitische groepen ‘Geëngageerde Plaatselijke Burgers’ te bewapenen, het aantal gewapende facties vergroot. Er is geen plan voor nationale verzoening voorgesteld, en evenmin is de grondwet aangepast om aan de belangen van de sunnieten tegemoet te komen. En dat terwijl al die stappen begin 2007 afgerond hadden moeten zijn. Dat is in geen enkel geval gebeurd, en de regering-Bush probeert niet eens de schijn meer op te houden dat het er binnenkort van zal komen.

Oorlog – dat weten wij dankzij Carl von Clausewitz – is de voortzetting van politiek met andere middelen. De theorie achter de surge was dat verhoging van de veiligheid op plaatselijk niveau zou leiden tot verzoening op nationaal niveau. Dat is niet gebeurd. Het geweld is minder geworden, maar Irak is nog altijd een land in oorlog. Het is nog altijd diep verdeeld door etnische en sektarische scheidslijnen, en alle facties en groeperingen zijn zwaarbewapend. Geen van hun geschillen over macht, positie of privileges is opgelost. Het geweld kan ieder moment weer oplaaien. Zelfs zonder openlijke oorlogvoering zijn er nog altijd volop problemen. De meeste bemiddelde Irakezen – artsen, ingenieurs, juristen en andere hoger opgeleiden – zijn gevlucht. Voor de achterblijvers zijn er weinig banen. De werkloosheid bedraagt 40 procent, en voor het simpelste baantje moet exorbitant veel smeergeld worden betaald. Corruptie en wetteloosheid vieren hoogtij. Irak staat nu qua corruptie na Somalië en Birma op de derde plaats in de wereld. In het huidige Irak neemt de gewelddadigheid velerlei gruwelijke vormen aan.

Wát de gunstige effecten van de surge ook mogen zijn geweest, hij zal spoedig eindigen. De Amerikaanse troepensterkte moet dalen, want als het huidige niveau wordt gehandhaafd gaat het Amerikaanse leger eraan kapot. Nu al wordt het uiterste gevergd. De landmacht heeft zijn normen moeten verlagen om nieuwe mensen te kunnen werven, en hij moet voor nieuwe rekruten tot 45.000 dollar bonus uitkeren. Hij raakt zijn midden-officierskader kwijt – de kapiteins en de majoors –, dat in onrustbarende mate het meest van de strijd te lijden heeft. Die trend zou alleen kunnen worden gekeerd als de mensen tussen de actieve dienst door langer verlof zouden krijgen dan thans mogelijk is.

De commandanten in Irak hopen dat de Iraakse veiligheidstroepen het geweld in de hand zullen kunnen houden wanneer de Amerikaanse troepen vertrekken. Dat is een noodlottige dwaling, want zonder een levensvatbare, sterke nationale regering is een sterk, levensvatbaar nationaal leger of politiekorps ondenkbaar. De verdeeldheid in de samenleving wordt weerspiegeld in de strijdkrachten, en wanneer de bindende aanwezigheid van de Amerikanen allengs wegvalt, is het zeer waarschijnlijk dat ook die strijdkrachten verdeeld zullen raken en uiteenvallen. Kortom, de surge is waarschijnlijk alleen maar een adempauze, geen blijvende oplossing.

Kan er iets worden gedaan en zo ja, wat? Om te beginnen moet Washington de werkelijke toestand in Irak onder ogen zien: het is een ‘mislukt land’, dat alleen door een buitengewone investering van Amerikaans geld en mankracht bij elkaar wordt gehouden. Amerika zal iets moeten bedenken dat de plaats van die investering kan innemen, want de huidige inzet valt niet te handhaven. Sterker nog: de Verenigde Staten hadden hun troepen allang uit Irak moeten terugtrekken. Het einde van de surge, komend voorjaar, moet het begin worden van een geleidelijke terugtrekking van de Amerikaanse strijdmacht, die binnen anderhalf jaar moet zijn voltooid.

In de tussentijd dient Amerika zich meer toe te leggen op politieke dan op militaire activiteiten. Nationale verzoening is een hersenschim – de mensen die nu de macht hebben zullen haar niet delen; zij die nu naar de macht streven zullen haar niet krijgen. En zolang de nationale verzoening uitblijft heeft het weinig zin om een nationaal leger of politiekorps op te leiden en uit te rusten. In plaats van zich te richten op het nationale niveau kan men zich beter richten op het plaatselijke niveau, waar thans de eigenlijke macht berust.

Ten dele heeft die verschuiving al plaatsgevonden in de vorm van Amerikaanse steun aan sunnitische en Koerdische groepen, en de toenemende onafhankelijkheid van de shi’itische macht in het zuiden. Washington heeft het nu over een proces van ‘verzoening van onderaf’, en dat is de juiste benadering, zolang decentralisatie tenminste niet ontaardt in versnippering.

Als derde stap moet een diplomatieke ‘surge’ worden gelanceerd, met als tweeledig doel: te voorkomen dat de buurlanden van Irak misbruik maken van de interne verdeeldheid van het land, en door onderhandelingen te komen tot een levensvatbare verdeling van macht en middelen binnen Irak. Een internationale conferentie onder auspiciën van de Verenigde Naties zou moeten proberen die twee doelen te realiseren. De buurlanden zouden moeten beloven de onschendbaarheid van het Iraakse grondgebied te respecteren – een belofte waarvoor de permanente leden van de Veiligheidsraad van de VN zich garant zouden kunnen stellen. De Iraakse deelnemers zouden zich van hun kant bereid moeten verklaren de nijpendste kwesties onderling op te lossen – de zeggenschap over de olie, een billijke verdeling van de opbrengst, en overdracht van het grootste deel van de politieke macht van de centrale regering aan plaatselijke politieke organen.

De afname van het geweld in de afgelopen maanden biedt Irak een adempauze, waarin het kan proberen iets te doen aan de kwesties die de ergste verdeeldheid veroorzaken. De tijd is krap en misschien zelfs al verstreken. Maar gezien het alternatief móét er een poging gedaan worden.

Ivo Daalder geeft maandag 10 december een lezing over Amerikaanse exitstrategieën uit Irak. De Balie, Amsterdam, 20.30 uur. Meer informatie: www.debalie.nl of 020-5535100.