Het camerabeest

Een camera gemonteerd op een dier levert spectaculaire beelden voor natuurfilms. Maar het is ook steeds vaker een instrument voor serieus wetenschappelijk onderzoek. Sander Voormolen

De eerste crittercams konden vanwege hun gewicht alleen op grote dieren gemonteerd worden, zoals hier op een tuimelaar. foto ap/TRends in ecology and evolution A bottelnose dolphin swims with a camera pack strapped to its back in this undated photo. Whales, dolphins and seals have long stumped researchers by diving to incredible depths without running out of air. Now they may have unraveled the mystery by going to the experts, the marine mammals themselves. By attaching video cameras to the animals' backs, a team of marine biologists learned that they exceed their apparent aerobic capacity by starting their dives with a few powerful swimming strokes, then gliding for most of the rest of the descent in a relaxed position with their lungs somewhat compressed. (AP Photo/UC Santa Cruz, K. McDonnell) Associated Press

De interpretatie van diergedrag is zo accuraat als gedragsbiologen kunnen kijken. Dat beseffen wetenschappers al sinds het ontstaan van de ethologie. De invloed van de waarnemer dient zoveel mogelijk uitgeschakeld te worden. Wat is er dan beter dan het dier zijn eigen gedrag te laten filmen?

Vijf wetenschappers van de Universiteit van Missouri inde Verenigde Staten beschrijven deze maand in een overzichtsartikel voor het vakblad Trends in Ecology and Evolution hoe de homevideo’s uit de dierenwereld steeds vaker nieuwe inzichten geven in het gedrag van dieren. Een voorbeeld zijn de ‘crittercams’ die Amerikaanse onderzoekers op de rug van keizerpinguïns monteerden. Ze leverden spectaculaire beelden voor de speelfilm ‘March of the Penguins’ uit 2005. Maar daarnaast lieten ze biologen voor het eerst gedetailleerd zien hoe deze dieren op vissen jagen onder het ijs.

Tot voor kort waren de mogelijkheden van zulke op dieren gemonteerde apparaten beperkt. De camera’s en vooral de benodigde batterijen waren zo log, dat ze alleen op grote dieren bevestigd konden worden. Het eerste model uit 1987, ontworpen door de Amerikaanse marien bioloog Greg Marshall, woog twee kilo en mat tien bij dertig centimeter. Marshall plakte ze op de schilden van grote zeeschildpadden, soepschildpadden en lederschildpadden. De evolutie van dierencamera’s verloopt echter zeer snel, zo beschrijven de Amerikanen in het overzichtsartikel.

Met het kleiner worden van de cameraatjes komen nieuwe diersoorten in aanmerking voor dit soort onderzoek. Japanse biologen bestudeerden het trekgedrag van chumzalmen met een fotocameraatje van slechts 73 gram dat zij bevestigden aan de rugvin van de vissen (Aquatic Biology, 2 oktober). Het apparaatje kon ongeveer 1300 foto’s opslaan in het 256 Mb flashgeheugen. Iedere dertig seconden nam het automatisch een foto. Te zien is hoe de dieren langs mosselkettingen en vissersnetten zwemmen, zonder erin verstrikt te raken. Ze trekken in kleine groepjes langs de kust en komen zelden in de buurt van de bodem of het zeeoppervlak.

wipsnavelkraai

Vorige maand rapporteerden Britse zoölogen van de Universiteit van Oxford hoe zij het voedselzoekgedrag van wipsnavelkraaien in kaart hadden gebracht met een minicameraatje van nog geen 15 gram dat zij bij wilde vogels onder de staart hadden gemonteerd (Science, 2 november). De camera keek naar voren tussen de poten van de vogels door. Zo was in close-up te zien wat zij allemaal met hun snavel uithaalden.

Wipsnavelkraaien staan bekend om hun vaardigheid allerlei stokje als gereedschap te gebruiken om voedsel te bemachtigen, zowel in gevangenschap als in het wild op het eiland Nieuw Caledonië. Het videomateriaal liet zien hoe een mannelijke kraai in drie kwartier drie verschillende stokjes als gereedschap gebruikte.

Hoewel stokjes overal op de grond te vinden zijn bleek de vogel zuinig te zijn op ‘goed gereedschap’. Hij nam een favoriet stokje mee toen hij naar een andere voedselplek meer dan honderd meter verderop vloog en legde het soms even terzijde om met zijn snavel aan voedsel te peuteren. Het stokje bleek een droge grasspriet, nooit eerder geïdentificeerd als gereedschap van deze kraaien.

Soms levert camera-ethologie inzichten die leidt tot nieuwe beschermingsmaatregelen, schrijven de onderzoekers uit Missouri. Om een bedreigde en slinkende populatie Hawaïaanse monniksrobben te beschermen hadden Amerikaanse autoriteiten een visverbod afgekondigd voor water tot een diepte van veertig meter. Maar Frank Parrish die de dieren uitrustte met camera’s ontdekte in 2000 dat zij veel dieper fourageerden en dat een flink deel van hun dagelijkse kost bestond uit de veel beviste kreeft. Kort na publicatie van dit onderzoek verbood de overheid de visserij op kreeft en bodemvis in de omgeving van de robben.