Gezichtprothesen zijn het best verankerd met botimplantaten

De constructies waarmee tandimplantaten in de kaak vast zitten, zijn ook op de lange termijn bruikbaar om oog-, oor- en neusprothesen mee aan het gezicht vast te zetten. Dat blijkt uit onderzoek van Groningse tandartsen en kaakchirurgen (Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, november).

Tussen 1965 en 1985 zijn in Zweden schroefvormige titaniumimplantaten ontwikkeld, waarmee tandartsen met succes tand- en kiesimplantaten in de mond konden verankeren. Er waren ook altijd tandartsen die zo prothesen van gezichtsdelen vastzetten. Zulke prothesen zijn nodig bij patiënten die door een kankergezwel of een aangeboren afwijking een deel het gezicht missen, bijvoorbeeld een oor, oog of neus.

In het verleden werden dergelijke aangezichtsdefecten vaak op een chirurgische wijze behandeld, maar die resultaten waren dikwijls teleurstellend. Gespecialiseerde tandartsen bootsten met behulp van siliconen en kunsthars op ingenieuze wijze ondermeer kunstoren en -neuzen na. Daarna bevestigde men de aangezichtsprotheses op de huid of aan een bril. Maar het met huidlijm fixeren van de aangezichtsprotheses leidde tot allergieën en irritaties en patiënten hadden vaak moeite de prothese goed te positioneren.

De implantaattechnieken boden uitkomst. Zo werd bijvoorbeeld het houvast van een oorschelpprothese verkregen door middel van het plaatsen van schroefvormige titaniumimplantaten in het bot rondom de oorholte met daarop een constructie waarop een oorprothese kon worden vastgeklikt (zie illustratie). Dezelfde techniek werd later ook gebruikt voor het vastzetten van neus- en oogprotheses. Het plaatsen van de prothese en het onderhoud ervan werd eenvoudiger. De constructie kon maar op één manier worden vastgezet en het houvast bleek aanmerkelijk beter dan in het geval bij de huidlijm methode. Bovendien kon de prothese dunner worden afgewerkt dan in het verleden waardoor vooral de esthetiek aanmerkelijk verbeterde.

De vraag was alleen hoe lang de in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde techniek het in de praktijk uit zou houden. Daar was het onderzoek van de Groningers op gericht. M.A.J. Eijkman