Gentest borstkanker wijst op ander beleid chemo in Nederland

Een nieuwe test bij borstkanker wijst erop dat het huidige protocol dat aanwijst of Nederlandse patiëntes baat hebben bij aanvullende chemo- of hormoontherapie, voor verbetering vatbaar is. (The Lancet Oncology, december).

De test MammaPrint, die genactiviteit meet, werd vijf jaar geleden ontwikkeld aan het Nederlands Kanker Instituut (NKI) en is inmiddels in Europa en de VS op de markt. Zestien Nederlandse ziekenhuizen begonnen in 2004 met de eerste praktijkproef, met geld van het College voor Zorgverzekeringen. Van die proef zijn nu de resultaten bekend.

MammaPrint is wereldwijd de eerste test die meet welke genen actief zijn in de tumor, en zo voorziet hoe het een borstkankerpatiënte na de operatie zal vergaan. Heeft zij aanvullende chemo- of hormoontherapie nodig of niet, is de vraag. Nu nog voorspelt de arts dat op basis van de leeftijd van de patiënte, en het uiterlijk van de tumor. Maar de genetische test bleek in onderzoek nauwkeuriger.

In de praktijkproef blijkt nu dat op basis van die MammaPrint een andere groep vrouwen in aanmerking komt voor nabehandeling. Bij 30 procent van de patiëntes kwamen de uitslagen van de twee methodes niet overeen.

NKI-onderzoeker Sabine Linn, auteur van de studie, denkt dat de uitslag van de MammaPrint betrouwbaarder is, en dat nu dus niet altijd de juiste vrouwen aanvullende therapie krijgen. Dat moet echter nog blijken, als de patiëntes de komende jaren gevolgd worden.

Onder oncologen was al discussie over de nabehandeling, omdat het aantal borstkankerdoden in andere landen sinds 1990 sneller is gedaald dan in Nederland. Het komend jaar worden de richtlijnen voor nabehandeling verruimd.

Er werd voorheen verwacht dat de MammaPrint-test zou voorkómen dat borstkankerpatiëntes nutteloze chemotherapie ondergaan. Dat gaat in andere landen, waar de criteria voor extra therapie nu veel ruimer zijn, waarschijnlijk wel lukken. Hester van Santen