‘Gelukkige moslims passen niet in het plaatje’

‘Ik ben denk ik Limburgser dan Geert Wilders. Ik woon al mijn hele leven in Limburg. Mijn stamboom gaat terug tot de zeventiende eeuw, zowel aan mijn moeders als aan mijn vaders kant. Mijn voorouders waren boeren, wevers en mijnwerkers. Ik ben katholiek opgevoed. Ik ging naar school bij de nonnen. Ik spreek dialect. Maar tegenwoordig heb ik het gevoel dat ik hier weg wil. Zodat ik niet in dit land hoef te zijn.

Ook al hoor ik hier thuis, ik voel me geen gewoon, onopvallend mens meer. Ik ben een object geworden, een soort. Een soort waar je op in mag hakken. En het rare is: ik kan over mijn geloof geen normaal gesprek meer voeren. Mensen zijn voor of tegen moslims. Alleen over die extremen kan nog gepraat worden.

Toen ik midden jaren zeventig moslim werd, ging dat eigenlijk probleemloos. Ik ging ook geen hoofddoek dragen. En ik dronk toch al nauwelijks, dus dat viel ook niet op. Ik herinner me dat mijn moeder me een keer vroeg, dat ging in dialect: ‘Ben je nou een moslim, meisje?’ ‘Ja, mam.’ ‘Wat is dat dan precies?’ ‘Nou, vooral dat ik niet meer geloof dat door de kruisiging mijn zonden zijn weggenomen. Jezus was toch ook maar een gewone man.’ ‘Ja, dat vind ik eigenlijk ook.’ ‘Nou mam, dan ben jij ook moslim.’

Ik ontmoette mijn man toen ik nog maar een paar maanden studeerde. Het was ramadan en hij vastte. Ik ging mee naar zijn familie, heel aardige, zachtmoedige mensen. Niemand droeg een hoofddoek. En niemand van de kinderen hoefde mee naar de moskee. Alleen als ze het wilden, anders niet. Je kunt alleen geloven in vrijheid, wist mijn schoonvader. Hij was een ongeletterde maar wijze man.

Het was dat gezin, dat mij inspireerde bij mijn moslim worden. Ik zag ook veel parallellen met het katholieke geloof. Maar wat mij aansprak, was dat je in de islam geen erfzonde hebt. Er is geen schuld die wordt afgekocht aan het kruis. Ik denk dat het christelijke geloof en de islam voor tachtig procent gelijk zijn. We hebben veel meer gemeen dan we verschillen. Maar het lijkt wel alsof niemand dat meer ziet.

Mijn man en ik hebben onze kinderen opgevoed als moslims. Dat wil zeggen: we hebben hen laten zien hoe je goed omgaat met elkaar en met de schepping. En mijn man heeft ze leren bidden. Ze hoeven niet te bidden van ons, maar het mag wel. Je kunt er pas voor kiezen te bidden als je hebt geleerd hoe dat moet.

Toen ze op de basisschool zaten, was er niks aan de hand. Ze deden geen communie, maar dat gold voor wel meer kinderen. De incidenten begonnen pas toen ze pubers werden. Mijn jongste zoon kwam een keer helemaal overstuur thuis. Een vriendje had gezegd: ‘Je vader is een drugsdealer.’ We hebben dat vriendje toen gevraagd erover te komen praten. Hij kwam – en heeft met een rood hoofd excuses aangeboden. Het was nog maar een kind, hij praatte zijn ouders na.

Vanaf dat moment begonnen we te merken dat we anders waren. Ik bedoel natuurlijk: we wáren niet anders, we werden anders gemáákt. Mijn dochter is een keer in elkaar geslagen toen ze veertien was. Door vijf blonde meiden, bij het busstation in het dorp. Dokter gebeld, politie erbij. De politie zei: ‘doe maar geen aangifte, die meisjes wonen allemaal hier in de straat’. Mijn dochter heeft daarna een paar jaar niet meer door het dorp gefietst. Nu zouden we dat niet meer laten passeren. Maar dat was toen. Een jaar of zeven, acht geleden.

Je kunt natuurlijk zeggen: jammer, maar wees reëel. Kijk eens naar hoe die islamitische jongens in die achterstandswijken zich misdragen. Maar dan zeg ik: er is niks aan de hand met de islam. Er is iets aan de hand met jongeren die moeizaam opgroeien in verarmde, stedelijke omgevingen. Je woont in een flat met zeven kinderen en je schopt de jongens naar buiten. Dát is hoe het gaat.

En dan zijn die jongens op straat en gedragen ze zich agressief. Maar die zogenaamde tomeloze agressie is een product van dít land. Die komt niet voort uit de eigen cultuur. Ga maar eens naar Marokko en praat eens met Marokkaanse jongeren dáár. Die zijn beleefd en beschaafd, die hebben fatsoenlijke omgangsvormen. Zeker tegenover volwassenen.

Er is hier ook geen multicultureel drama aan de gang. Nee, het drama heet: migratie. En dat is het drama van mensen die uit armoede alles verlaten om ergens anders een beter leven op te bouwen. Of die anderen achterna gaan die het elders goed hebben gedaan.

Overal ter wereld voelen autochtonen zich daardoor bedreigd. En overal zijn armoede en ontworteling de push factoren voor criminaliteit en onaangepast gedrag. Kijk naar de Ieren en de Italianen in de Verenigde Staten, begin twintigste eeuw. Of naar de migratie in mijn ‘eigen’ Limburg. Door de mijnen zijn hier indertijd diverse migratiestromen op gang gekomen. Wie in de oude, westelijke mijnstreek een ‘echte Limburger’ is, mag het zeggen.

Ik heb Geert Wilders één keer ontmoet. Nou ja, ontmoet – volgens mij zat hij in de zaal toen ik een keer een lezing hield. Ik heb hier het programma nog: ‘Op verzoek van het hoofdbestuur van de VVD organiseert de Haya van Somerenstichting een studiedag. Het doel van de dag is kennis maken met culturele verschillen, met als uitgangspunt: onbekend maakt onbemind.’ Dat was 30 januari 1999.

Mijn man en ik weten veel van de islam. Ik heb workshops intercultural awareness gegeven, lezingen over de islam gehouden, geadviseerd over de participatie van allochtone ouders bij het onderwijs. Ik heb artikelen over de islam gepubliceerd.

Al die kennis kon je een jaar of zeven, acht nog regelmatig kwijt. Maar het wordt steeds moeilijker. Toen ik voor een opvoedkundig blad een stuk had geschreven over opvoeding in de islam, kreeg ik als reactie dat het te pro-islam was. Dat was het niet, het was neutraal. Maar zo is het geworden: alles wat niet tegen de islam is, wordt gezien als pro-islam. En de toon wordt alleen maar harder, gemener.

Mijn man stuurde een keer een artikel naar een krant over polygamie. Hij vroeg zich daarin op een wat cynische manier af – bij wijze van grap – waarom we hier wel een homohuwelijk hebben en geen polygamie. Het artikel werd prompt geplaatst. Sterker nog, hij werd gebeld door een praatprogramma met de vraag of hij daar de polygamie wilde komen verdedigen tegenover een aantal tegenstanders. We lagen dubbel van het lachen op de bank. Hij is daar natuurlijk niet op ingegaan.

In het publieke debat wordt nu gezegd: de vrijheid van moslims kan alleen worden verdedigd als moslims de vrijheid van hun geloofscritici verdedigen. Nou, ik kan je verzekeren: er bestaan talloze moslimschrijvers met kritiek op hoe in veel landen de islam wordt gepraktiseerd. Kritiek is geen probleem. Je mag ook gerust kritiek hebben op islamitische machthebbers die religie misbruiken om hun volk te onderdrukken. Graag zelfs. En op geestelijken die mensen gijzelen in hun geboden en verboden. Dan doe ik mee.

Maar de huidige, venijnige uitspraken van politici en ex-moslims hebben niets met kritiek te maken. Het zijn niet eens onderbouwde meningen. Het is geroep in de ruimte. ‘Mohammed is een crimineel’, roepen ze, ‘een pedofiel’. Of: ‘Scheur de Koran in stukken.’

Is dát kritiek? Kritiek moet gefundeerd zijn, gelijkwaardig en gericht op veranderbaar gedrag van mensen. Dan leren we van elkaar. Maar kritiek op dé islam zet geen zoden aan de dijk. En dat komt doordat dé islam niet bestaat.

Mij wordt tegenwoordig vaak gevraagd waarom gematigde, liberale moslims als mijn man en ik niet van zich laten horen in het islamdebat. Dan zeg ik dat dit komt doordat in dit land de orthodoxe moslims als de ware moslims worden gezien.

Zelf vind ik het dragen van een hoofddoek geen probleem, dat is een kwestie van eigen keuze. Tegelijk maakt een hoofddoek je niet tot een betere moslim. Maar mensen zijn alleen nog geïnteresseerd in discussies tussen voorstanders en tegenstanders, niet in: ergens niet tegen zijn, maar er wel kanttekeningen bij plaatsen. Een gelukkig, onopvallend gezin dat ook nog moslim is, past niet in het plaatje.

Ik heb mensen altijd vertrouwd: collega’s, leraren van mijn kinderen. Nu sluipt er wantrouwen in. Dat had ik vroeger nooit. Dat wij niet echt opvallen, is ons geluk. We hebben werk, we wonen mooi, met de kinderen gaat het goed.

Dus ja, je kunt zeggen: jij hebt er niet veel last van. Maar wat is last. Een deel van mijn identiteit, van mijn innerlijk wordt elke dag beledigd. Misschien moet ik de tv uitzetten en de kranten de deur uitdoen. Dan ziet de wereld om mij heen er een stuk vrediger uit. Die wereld, de werkelijke wereld lijken mensen steeds minder te zien.”

Opgetekend door Gretha Pama