Gegarandeerd zonder opinie

De actualiteit spiegelt zich in de literatuur. Deze week de controverse rondom de fotoserie over islamitische homoseksuelen, en de roman Ik heet Karmozijn (1998) van Orhan Pamuk.

De roman De duivelsverzen van Salman Rushdie; de opera Aïsja door het Onafhankelijk Toneel; de film Submission van Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali; de cartoons uit de Deense Jyllands-Posten – de relatie tussen (westerse) kunst en (fundamentalistische) islam is bewezen explosief. Zozeer zelfs dat het Haags Gemeentemuseum deze week terugschrok voor het exposeren van kunstwerken die mogelijk tot aanstoot konden leiden. Een fotoserie van de Iraans-Nederlandse Sooreh Hera, die homoseksuele moslims portretteerde met maskers van de profeet Mohammed en diens schoonzoon Ali, werd geweigerd omdat ze ‘te veel reacties’ zou uitlokken. „Ik vind het een aardig meisje en een goede fotograaf,” zei directeur Wim van Krimpen in NRC Handelsblad, „maar ze heeft zelf de publiciteit gezocht. Dat vind ik geen goed idee. [...] Je roept ‘Mohammed’ en ‘homo’ en voor je het weet staan alle kranten er vol mee.”

De zaak was nieuws omdat, zoals kunstredacteur Sandra Smallenburg woensdag schreef, ‘kunst blijkt te kunnen provoceren voordat er überhaupt iemand beledigd is geraakt’. Maar conflicten tussen de kunsten en de voorschriften van de islam zijn al zo oud als het geloof zelf – ook bij moslims onderling. De Turkse Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk schreef er een schitterende historische roman over: Ik heet Karmozijn.

Pamuks 59 hoofdstukken tellende epos speelt in het Istanbul van 1591, rond het duizendste jaar van de islamitische jaartelling. Een tijd van grote veranderingen, niet het minst voor de Osmaanse boekillustratoren die in Ik heet Karmozijn een gulden middenweg moeten zien te vinden tussen de moderne wensen van hun opdrachtgevers (realistische portretten in Venetiaanse stijl) en de verbodsbepalingen van de religie. De Sultan mag het modernisme oogluikend toelaten, de roep van de fundamentalisten wordt steeds luider. Die wijzen met een beroep op de Koran niet alleen realistische afbeeldingen af, maar ook een individuele stijl; oftewel alles wat afwijkt van de traditionele miniatuurkunst, die in de oude Perzische stad Herat zijn oorsprong vond.

De boekverluchters in Ik heet Karmozijn worden gemangeld tussen hun artistieke ambities en hun vroomheid, tussen de wereldse machten en de islamitische predikers. Twee van hen laten in Pamuks murder mystery zelfs het leven, en de overigen raken in grote problemen. De moraal – al mag je daar bij een boek van deze subtiele Nobelprijswinnaar eigenlijk niet van spreken – is duidelijk: modernisering is in de islamitische samenleving een hobbelige weg, zij het één waaraan niet te ontkomen is.

De parallellen met het moderne Turkije zijn in Ik heet Karmozijn nooit ver weg. Toch was het niet dit fictieboek uit 1998 dat Orhan Pamuk in conflict bracht met de Turkse samenleving. Die eer was acht jaar later weggelegd voor een interview waarin hij sprak over de Armeense genocide.

Orhan Pamuk : Ik heet Karmozijn. Vert. M. Dorleijn & H. van der Heijden. De Arbeiderspers, €15,– Reacties: steinz@nrc.nl