Even nuttig als de vuilnisman

Donderdag verscheen de eerste biografie van Willem van Hanegem (63). Leuk, vindt de voormalig stervoetballer. Maar niet meer dan dat. „Ik heb niets bijzonders gedaan in mijn leven.”

Willem van Hanegem: „Mijn betrokkenheid wordt vaak voor negativisme aangezien. Ten onrechte.” Foto Merlin Daleman Nederland, Utrecht, 06-12-07 Willem van Hanegem. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Willem van Hanegem heeft belangrijke zaken aan zijn hoofd. Over een paar uur wordt het sinterklaasfeest bij FC Utrecht gevierd en de coach wil er zeker van zijn dat al zijn spelers van de partij zijn. „Het maakt me niet uit of ze kinderen hebben of niet”, roept hij vanachter het koffiezetapparaat in trainingscomplex Zoudenbalch. „De vrienden van de club hebben veel tijd in deze viering gestoken. Dus verwacht ik dat alle jongens present zijn.”

Het is de dag voor de presentatie van zijn eerste, echte biografie: Willem van Hanegem, geschreven door negen auteurs met eindredactie van Matty Verkamman en Johan Derksen. De coach heeft het druk, maar oogt ontspannen in zijn roze pullover. In niets lijkt hij op de man die geregeld de vloer aanveegt met coaches en spelers in tv-programma’s als Voetbal Insite.

„Wilt u banket”, vraagt de voormalig sterspeler van Feyenoord en het Nederlands elftal. Om vervolgens te mijmeren over de tijd dat hij zelf nog in Sinterklaas geloofde. „Weken voor zijn komst stond ik met mijn neus tegen de winkelruit. Als ik een suikerbeest kreeg, was ik heel tevreden. Tegenwoordig reiken de bomen tot in de hemel. Kinderen graaien en graaien maar. ADHD noemen ze dat. Maar ik weet wel beter. Dit is wat we er met z’n allen van hebben gemaakt. En dat is triest.”

Hij ziet het ook bij zijn spelers. Ze zijn gewend dat alles voor hen gedaan wordt. Hun shampoo, föhn en handdoek liggen klaar als ze aankomen. De schoenen netjes gepoetst. „Toen ik zo oud was, dacht ik thuis al na over wat ik mee zou nemen. Bij guur weer reisde ik met een ijsmuts en lange broek naar de training. En denk niet dat ik het slecht had, hoor. Integendeel: ik was dolgelukkig. Ik mocht iets doen wat ik mijn hele leven al wilde: voetballen. Dan neem je alles op de koop toe.”

Na ruim veertig jaar clubvoetbal neemt u morgen uw eerste biografie in ontvangst. Denkt u niet: dat had eerder gemogen?

„Nee. Zo’n boek is leuk. Maar ook zonder had ik het overleefd. Dat Cruijff een biografie krijgt als hij zestig jaar wordt begrijp ik. Maar ik?”

Uw vrouw Marianne zei: ‘Willem is bescheiden. Dat die biografie zo lang op zich heeft laten wachten, past wel bij hem.’

„Ik heb niets bijzonders gedaan in mijn leven. Ik heb gevoetbald, maar niet meer dan dat. Dat zeg ik ook tegen mijn spelers: ‘Ik zet elke woensdag mijn vuilnis buiten. Dinsdagavond al. Dan hoop ik dat die man komt om die bak leeg te maken. Is-ie er niet, dan gaat het zaakje stinken. Dus die man is even waardevol als ik.”

Voetballers worden te veel op een voetstuk geplaatst.

„Juist. En niet alleen voetballers. Ook trainers. Die denken doorgaans dat ze heel belangrijk zijn. Ze houden ingewikkelde praatjes. En proppen hun spelers vol met zogenaamd belangwekkende informatie, die vaak meer kwaad dan goed doet. Ik wil mijn eigen vak niet ondermijnen. Maar het is een feit: als spelers niet willen, is de coach nergens meer.”

Is dat de reden waarom u geen persconferenties geeft: u wilt uw functie niet belangrijker maken dan zij is?

„Nee, dat heeft met iets anders te maken. Op persconferenties verwachten journalisten dat coaches alles naar zichzelf toe praten. Zo van: als de scheids toen en toen niet had gefloten, hadden we gewonnen. En het erge is: ze schrijven al die onzin nog op ook. Ze verwachten dat ik de ingrediënten voor hun verhaal lever. Daar pas ik voor. Ik wil best vragen beantwoorden, óók als ze kant noch wal raken. Ik ga graag de discussie aan, want daar worden we allemaal wijzer van. Maar ik vertik het om hun verslag te maken.”

Vijf maanden geleden trad u aan als coach bij FC Utrecht. Inmiddels staat de club op een achtste plaats. Tevreden?

„We doen het niet onaardig. Vooral de laatste wedstrijden hebben we goed gespeeld. Ik denk dat dat komt doordat de jongens plezier hebben in wat ze doen. Want dat is wat ik hun probeer in te peperen: jullie hebben een geweldig leven. Je mag spelen voor 20.000 mensen die je naam roepen. Je reist de hele wereld over. Voor hetzelfde geld lig je in bed te snurken. Of in de goot – want dat zie je de laatste tijd steeds vaker, hè. Dus ga ervoor. Zoek je tegenstander op. Voetballers doen er tegenwoordig alles aan om een nederlaag te voorkomen. Het willen winnen is er niet meer bij.”

De angst is in het voetbal geslopen.

„Juist. En dat komt doordat coaches vooral aan hun eigen hachje denken. Met oprechte interesse een speler observeren – het gebeurt nog maar weinig. Als ik zie dat een van mijn jongens niet goed beweegt, denk ik: er is iets. En na een beetje doorvragen blijkt dan dat zijn oma op sterven ligt of zijn vader ongeneeslijk ziek is. ‘Wegwezen’, zeg ik als ik zoiets hoor. ‘En terugkomen als de tijd er rijp voor is.’ Het mooie is dat zo’n jongen de volgende dag vaak als eerste op de training verschijnt.”

Met een beetje invoelingsvermogen kom je een heel eind in het moderne voetbal.

„Zeker. Misschien kunt u zich nog herinneren dat er een tijd geleden een hele familie voor de trein sprong. Toen ze de buren vroegen hoe dat kon, was het antwoord: ‘Dat hebben we niet zien aankomen.’ Nee, vind je het gek? Als je geen interesse toont in je omgeving, zíe je dat ook niet aankomen. We lopen tegenwoordig allemaal met koptelefoons op. We praten nauwelijks meer met elkaar.”

Uw voormalige coach Ernst Happel stond ook bekend om zijn betrokkenheid. Geldt hij als uw voorbeeld?

Veert op. „Jaaa. Happel heeft mij geleerd hoe je vertrouwen geeft aan de mensen met wie je werkt. Hij had een grote mensenkennis. Kon in een paar minuten de kracht en zwakte van een tegenstander ontleden. Ellenlange verhalen waren aan hem niet besteed. Toen ik onlangs bij Holland Sport zijn naam hoorde, werd het mij even te veel. In een paar seconden kreeg ik zijn halve leven op mijn netvlies. Van onze eerste ontmoeting tot de laatste keer dat ik hem zag. Dat doet wat.”

Mensen houden u vaak voor negatief. Maar stiekem bent u een hele emotionele man.

„Ja, en dat wil ik ook niet verbergen. Mijn betrokkenheid wordt vaak voor negativisme aangezien. Ten onrechte. Ik spreek mij uit als ik iets niet goed vind. Dat is toch mijn goed recht? Als het slecht gaat met iemand waar ik van houd, heb ik er de pee in.”

U had ook de pee in de gang van zaken rond het EK van 2004 in Portugal. In uw biografie geeft u aan zich misbruikt te voelen als assistent van bondscoach Dick Advocaat.

„Misbruikt is een groot woord. Waar het om gaat is dat Dick en ik elkaar heel goed kenden toen hij mij voor die functie vroeg. We zijn beiden gevoelsmensen en hebben veel beleefd met elkaar. Dus toen hij zei dat hij geen bondscoach zou worden als ik hem niet wilde assisteren, ging ik overstag. Waar ik geen rekening mee had gehouden, was dat mijn rol zo beperkt zou zijn. Niet dat ik mij nou zo groot voel, maar in al die tijd heb ik twee trainingen gegeven. Alleen bij de opstelling mocht ik wat op het bord schrijven. Dat houdt niet over, toch? En als ik Dick er op aansprak, gaf hij een ontwijkend antwoord. Het leek bijna of hij ergens bang voor was. En dat bevreemdde mij, want hij wíst dat ik nooit aan zijn stoelpoten zou gaan zagen.”

U zou er als voormalig voetbalidool bij zijn gehaald om hem geloofwaardig te maken.

„Dat zeggen ze ja. Maar ik kan mij niet voorstellen dat iemand zo denkt als hij jarenlang met een ander is opgetrokken. Hoe dan ook: ik draag Dick niets na, want hij heeft het heel moeilijk gehad. Anders dan Van Basten hebben ze hem van meet af aan onderuit proberen te schoppen.”

Want Van Basten werd in de periode na zijn aanstelling op handen gedragen.

„Ja, dat vond ik heel vreemd. Iedereen liep met een muts en een toeter achter Van Basten aan. Ik heb niets tegen de man, maar het was niet reëel. En ook zijn eigen gedrag heeft iets gekunstelds. Hij vindt iedere wedstrijd geweldig. Terwijl wij thuis voor de tv allemaal kunnen zien dat het niet goed loopt. Waarom niet zeggen ‘het was niet om aan te zien, maar we hebben drie punten op zak’. Dat is eerlijk.”

Dinsdag kondigde Van Basten aan dat hij na het EK stopt. Had u dat verwacht?

„Nee. Maar ik begrijp het wel. De laatste maanden is de kritiek steeds luider geworden. Dat komt hard aan, zeker als iemand oprecht gelooft dat het spel wel aardig is. Van Basten heeft moeite met de negatieve berichtgeving. Als speler werd hij de hemel in geprezen. Iedere topclub wilde hem hebben. Maar als je jezelf ongeloofwaardig maakt door vol te houden dat het geweldig gaat, roep je het over jezelf af.”

Jeuken uw handen bij zo’n vacante positie?

Slaat zijn ogen neer. „Nee, neeeee. Dat is niet aan mij. Het is gek, maar ik ben niet zo ambitieus.”

U predikte zo-even het pleziervoetbal en de winnaarsmentaliteit. Dat kunnen ze bij het Nederlands elftal wel gebruiken.

„Dat klopt. Als Oranje speelt, wordt er zelden gelachen. Dat begrijp ik niet. Toch blijf ik er bij dat ik niet de juiste man ben voor die positie. Wie dan wel? Ik weet het bij God niet.”

Terug naar het boek. U ontvangt het eerste exemplaar uit handen van Ben de Pauw, de man die tijdens het bombardement op uw geboorteplaats Breskens door uw vader werd gered. Wat betekent dat voor u?

„Negentien jaar geleden kwam Ben voor het eerst bij mij aan de deur in Haarlem. Bibberend als een rietje. ‘Steeds als ik je zie spelen moet ik aan het bombardement denken’, zei hij (toen de vader van Van Hanegem, over de kleine Ben gebogen, door een granaatscherf om het leven kwam, red.). Ik antwoordde dat ik het vervelend vond. Maar dat het nog erger was geweest als ik had vernomen dat mijn vader aan hem voorbij was gelopen. Ben keek mij een moment verbouwereerd aan. Toen kwam de opluchting. Professor Ben – hij is nu oncoloog – is de enige persoon die dat boek in ontvangst kan nemen.”