Een vies flubbertje

Soms lopen de inzichten van uitgeefster en auteur niet geheel parallel. En als het dan ook nog eens over de omslag van een nieuwe uitgave gaat, kan het behoorlijk principieel worden.

Hoe belangrijk is het omslag van een boek? Minder belangrijk dan auteur, titel en wat de aspirant-koper zoal links en rechts over het boek opgepikt heeft, zou ik denken. Je loopt een boekhandel binnen om Exit Ghost van Philip Roth aan te schaffen of een klassieker van Theo Thijssen of de nieuwe Youp van ’t Hek voor je jarige buurman. Het plaatje voorop het boek doet er minder toe; het kan je bevallen of niet, maar het moet wel heel erg zijn, wil het je weerhouden van aankoop.

Uitgevers denken hier anders over, wordt weer eens duidelijk als ik op de uitgeverij ga kijken naar het omslagontwerp voor het boek waaraan ik de afgelopen jaren heb gewerkt. De gekozen afbeelding is geen verrassing meer; die heb ik ditmaal zelf aangeleverd. In het boek spelen de anatomische preparaten van de zeventiende-eeuwse arts Frederik Ruysch een rol en daarom is de keuze gevallen op een foto van zo’n preparaat. Een in kanten mouwtje gestoken kinderarmpje op sterk water houdt tussen de vingertjes een draad vast, waaraan een ringetje van kunstig uitgesneden oogleden bungelt. Een preparaat dat een preparaat vasthoudt; dat deed Ruysch vaker. Toegegeven: geen dartel plaatje, een beetje macaber, maar wel van een aandoenlijke schoonheid, zo’n versierd armpje dat de toeschouwer al drie eeuwen lang memento mori toewuift. Meer kunstwerk dan van medisch belang, terwijl een zeker kermisexploitanteninstinct de maker ook niet vreemd was.

Zodra ik het boekomslag onder ogen krijg, valt me op dat er iets ontbreekt. De oogleden zijn weggelaten! De vingertjes steken leeg boven de titel uit. Wat krijgen we nou?

„Ja”, zegt mijn uitgeefster, „we hebben er hier een interne discussie over gehad. De meeste mensen die de foto zagen, zeiden: gatverdamme, wat hangt daar nou voor een vies flubbertje?”

Namens Frederik Ruysch ben ik meteen in mijn wiek geschoten. „Die oogleden horen erbij! Die moeten erop!”

„Maar stel je nu eens een argeloze lezer voor die in de boekhandel moet kiezen tussen drie of vier titels. Die pakt zoiets op en denkt: bah, toch maar liever Arthur Japin.”

Er komen nog anderen de kamer in lopen, die ook vinden dat dit commercieel gezien glad ijs is. De boekhandelaars die het moeten bestellen zullen zuinigjes zeggen: doe mij er maar vijf, in plaats van vijftig.

„Het is juist intrigerend”, beweer ik halsstarrig.

Ja, een intrigerend omslag is goed, daar is iedereen het over eens. Maar weerzin wekken, dat is verkeerd. Als de lezer denkt „hè, bah”, dan gooi ik mijn eigen glazen in, dat moet ik toch inzien.

Maar dat zie ik niet zozeer. Ik ben nog in de ban van mijn zeventiende-eeuwer die de mensen de grootsheid en het raffinement van de schepping wilde tonen. Een soort beroepsdeformatie. Een dwarsheid die me al vaker parten heeft gespeeld, steekt de kop op. Het oude dilemma tussen de markt willen behagen en de markt aan je laars lappen, waarbij ik meestal naar het laatste lijk te neigen. Nu dus weer. Ik word met de minuut narriger. Wie dit subtiele ringetje – product van tedere toewijding en verbluffend vakmanschap – vies vindt, die mág dat boek niet eens meer lezen. Die laat het maar mooi liggen!

Leve het ooglidringetje. Ik stá op mijn vieze flubbertje. En me druk maken over onbenulligheden kan ik ook goed. „Nou, dan doen we toch mét?” zegt mijn uitgeefster kalm.

Wij kennen elkaar al jaren. Ze heeft wel voor hetere vuren gestaan.