Een borrel voor na de kater

De VN beslissen binnenkort over de status van de Servische provincie Kosovo. Servische jongeren kan de uitkomst niks schelen. Ze willen de merknaam Servië nieuwe glans geven met oude brandewijn. „Wie suiker toevoegt, begaat een anti-Servische daad.”

Rakijaverzameling van Nikicevic Foto Tijn Sadée Sadée, Tijn

In de trappenhal van de Landbouwfaculteit in Belgrado is de lucht al zwanger van gedistilleerd. De kamer van Ninoslav Nikicevic – bijnaam ‘de rakijaprofessor’ – is aan het eind van een donkere gang. „Hoed je voor zijn arrogantie en ijdelheid!”, waarschuwden zijn vijanden vooraf. En daarvan heeft Nikicevic er veel. Onder Servische producenten van rakija, de verzamelnaam voor fruitdistillaten, wordt zijn oordeel gevreesd. Een onvoldoende van Nikicevic voor ‘helderheid’ of ‘karakter’, en je bent als rakijaproducent verloren.

„Ik mag hopen dat jullie een stevig ontbijt hebben gehad”, zegt Nikicevic die de eerste glaasjes inschenkt, half verscholen achter een rij weckflessen op zijn bureau. Zacht aait hij zijn nauwkeurig getrimde baardje. Aan alle wanden hangen foto’s van hemzelf. De professor die oorkondes uitdeelt. De professor op werkreis in Egypte. De professor op de omslag van een blad, onder de kop: ‘Servische droom die uitkomt: professor Nikicevic wordt betaald om te drinken!’

„Wat ik proef, slik ik echt niet allemaal door”, zegt Nikicevic terwijl hij geroutineerd een straal goudkleurige rakija in een aardappelpannetje spuugt. Dan gooit hij zijn hoofd in z’n nek, maakt wat vreemde geluiden, en laat een lange stilte vallen. Zijn hand gaat naar een scoreformulier. „Kleur: perfect. Geur: goed. Smaak: bijna volmaakt.” Wat Nikicevic ons op de nuchtere maag voorschotelt komt uit een scheikundefles. Een ‘domaca’, ofwel: een rakija ergens in een Servische achtertuin door particulieren gemaakt. „Ik reis door het hele land, zoek de mensen op en proef. Wat we hier hebben is topkwaliteit, uit 1989. I bogovi bi paline teme!” Vrij vertaald: hier gaat zelfs God van uit zijn dak. Hij toont het speciale glas in lederen etui dat hij tijdens zijn veldwerk meeneemt. „Dat glas ziet mij vaker dan mijn vrouw.”

In januari begint Nikicevic aan zijn faculteit met een cursus rakija maken voor kleine zelfstandigen. Met financiële steun van het ministerie van Landbouw dat de potentie van rakija ook heeft ontdekt. Rakija, en dan vooral de Servische šljivovits (pruimendistillaat), moet het nieuwe Servië gaan vertegenwoordigen in de wereld. Nikicevic: „Na de Joegoslavische oorlogen en al het andere slechte nieuws over ons land is er weer iets om je op te verheugen.”

Sommige kenners zeggen dat het stoken van rakija in de regio pas in de achttiende eeuw begon, na een druivenziekte waardoor men moest uitwijken naar ander fruit. Volgens Nikicevic begon het veel eerder. Migrerende Slaven brachten in de zesde eeuw vanuit het huidige Turkmenistan de pozegaca, volgens Serviërs de beste pruimensoort, mee naar de Balkan. Waarna rakija populair werd. Rakija (afstammend van het Arabische woord al-Rak voor ‘zweet’) wordt tegenwoordig in bijna alle Slavische landen geproduceerd. In Hongarije heet het fruitdestillaat pálinka, in Roemenië tzuica. „Maar de šljivovits is toch echt van ons”, vindt Nikicevic. „Een Serviër die een šljivovits weigert is geen echte Serviër.”

Andere gewoontes, andere mensen,

het verre bulderen van een trein,

soms is het noodlot te verwensen,

Ober, geef me nog wat brandewijn!

Aan de vooravond van een VN-besluit over de status van de Servische provincie Kosovo laten politici in Belgrado hun spierballen zien. De naar onafhankelijkheid strevende provincie, voor ruim negentig procent bewoond door Albanezen, wordt door Serviërs gezien als ‘de wieg der natie’ die ze nooit zullen opgeven. Kosovo is in de Servische schoolboeken het hart van een groots Servisch rijk dat verloren ging in 1389 bij de slag tegen de Turken, op het Merelveld in Kosovo.

Door de eeuwen heen groeide Kosovo in het nationale bewustzijn uit tot het Servische Jeruzalem. Op het bekendste schilderij van Servië, ‘Het Kosovomeisje’, van Uroš Predic, neemt een stervende prins Lazar, de held van het Merelveld, een laatste slok uit een karaf dat een meisje hem aanreikt. Kosovo is ‘het afgehakte hoofd van Lazar dat moest worden herenigd met de romp’, omschrijft de Belgische Balkanexpert Raymond Detrez het Servische trauma door de eeuwen heen (zie inzet).

En nu? Wat is er, los van de gespierde taal van politici, nog over van de Kosovomythe in het huidige Servië dat sinds de Joegoslavische oorlogen voortleeft als een rompstaat met fantoompijn? Wie is er bereid om te vechten voor het hoofd van Lazar?

„Niemand”, zegt Braca Grubacic, uitgever van nieuwsbrief VIP en de scherpste politiek analist van Servië. Ruim acht jaar na de Kosovo-oorlog, in 1999, zijn Servië en Kosovo niet langer verenigbaar, zegt Grubacic. „Servië vergrijst in hoog tempo. In de wijk waar ik woon is de gemiddelde leeftijd 65. Kosovo is daarentegen een snelkookpan vol woedende jongeren.” Behalve de mentale verwijdering is er volgens hem een praktische reden dat Servië Kosovo moet laten gaan. „Kosovo is een zwart gat waar de drugsmaffia jaarlijks heroïne ter waarde van 50 miljard euro doorvoert. Verder is daar niets. Geen industrie. Geen betrouwbare elektriciteitscentrale. Servië, dat met zijn eigen sociale en economische problemen kampt, kan Kosovo niet eens aan.”

De enige oproep tot een gewapende strijd komt van de Prins Lazar-brigade, een club van Servische veteranen waarover met nauwelijks verholen ironie in de media wordt bericht. Op billboards in Belgrado roepen bekende acteurs en regisseurs, zoals Emir Kusturica (Underground, Life is a miracle) op om de Servische minderheid in Kosovo niet in de steek te laten. Maar Kusturica wordt door jonge intellectuelen minder serieus genomen sinds hij zich als Bosnische moslim bekeerde tot het orthodoxe geloof en gecharmeerd raakte van de nationalistische retoriek van premier Vojislav Koštunica.

Voor de meeste jongeren in Belgrado leeft Kosovo als ‘wieg der natie’ slechts in de mythologie. „Mijn studenten zijn met heel andere dingen bezig: met hard werken en de eindjes aan elkaar knopen”, zegt Jelica Novakovic. In 1999 hield ze voor Nederlandse en Belgische media een dagboek bij over het dagelijks leven in Servië tijdens de NAVO-bombardementen waarmee een einde kwam aan de Kosovo-oorlog. Novakovic is nu hoofd van de vakgroep Neerlandistiek aan de Universiteit van Belgrado. „Ik walg van buitenlandse media die hier op straat onder jongeren scoren met vragen over wat ze van Srebrenica of Kosovo vinden. Daar vinden die jongeren niks van, want ze weten er niks van. Dat wordt dan uitgelegd als verdringing, als ‘wir haben es nicht gewusst.’ Door die beeldvorming worden we in gijzeling gehouden.”

In een populaire uitgaansbuurt in Belgrado opende ruim een jaar geleden een stel jonge ondernemers de Rakia Bar. De j in rakija wordt bewust weggelaten. „Om aan te geven dat we iets nieuws beginnen, maar met wortels in het oude”, zegt Jovana Rašeta. Met hun bedrijf Re-design willen Rašeta (30) en haar zakenpartners Servië als merknaam nieuwe glans geven. Naast de Rakia Bar startten ze twee rakijawinkels met in de etalage bonbons gevuld met rakija en honderd verschillende soorten rakija op de fles. Tijdens het tweedaagse Rakija Fest in oktober brachten ze producenten en buitenlandse importeurs bij elkaar. Volgens cijfers van het Servische exportagentschap SIEPA steeg vorig jaar de waarde van de totale export van rakija van 1,5 miljard dollar in 2005 naar 3,7 miljard in 2006.

Om de comeback van de eeuwenoude brandewijn als hippe borrel te promoten moest Rašeta voorzichtig te werk gaan. „Termen als ‘trots’ en ‘nationaal’ moesten we in de campagne vermijden. Na de oorlogen zijn dat beladen termen geworden.”

Een druppel regen in de oceaan,

voor een café op de Balkan,

wie geeft er om wie vannacht huilt,

schenk in, zodat het nog meer pijn doet.

Volgens Servische tradities vloeit de rakija als er wordt getrouwd én gescheiden. Op het graf van een familielid laten de rouwenden lege rakija-flessen achter. Rakija hoort ook bij heldenmoed, bij de oorlog. Na de val van Srebrenica hieven de Nederlandse overste Karremans en Ratko Mladic een glas rakija, terwijl de vernederende scheldkanonnade van Mladic nog nadreunde en ruim achtduizend moslims uit de enclave hun dood tegemoet gingen.

Rašeta: „In het Westen is helaas dat beeld op ieders netvlies gebrand.” Om rakija opnieuw te positioneren koos Rašeta voor ‘fruitig, puur en karakteristiek’ als reclameslogans. „Zo moet alles waar we ooit trots op waren worden ontsmet. De naam van ons bedrijf, Re-design, staat voor een groter plan. Met rakija zetten we een eerste stap. Mijn generatie wil Servië opnieuw uitvinden. Een kwestie als Kosovo beschouwen we als een verloren zaak. Ander onderwerp graag.”

In de houten schuur achter op het erf van zijn huis, tien kilometer buiten Belgrado, legt Borislav Banjac liefdevol zijn hand op de koperen stookketel. „Van de firma Cvetkovic, uit het Zuid-Servische Prokuplje. De beste smid op de Balkan.”

Na zijn pensionering investeerde Banjac zijn spaargeld in de ketel en ander apparatuur. In de garage staan de ‘ballonnen’ met het eerste destillaat, in totaal duizend liter. „Na nieuwjaar ga ik als 64-jarige voor het eerst de markt op”, zegt Banjac trots. Met zijn ‘domaca’ (huisgestookt) hoopt hij een goedlopend rakijabedrijf achter te laten voor zijn twee zoons.

Hij toont een vergeelde foto van zijn grootvader. „Onze familie komt uit Berkovo, dichtbij de Kosovaarse stad Pec. Daar ben ik opgegroeid. Opa maakte een mooie šljivovits. Hij stookte in een ketel van de grootvader van mijn huidige smid in Prokuplje. Zo is de cirkel rond: het smeden en het stoken is van generatie op generatie overgegaan.”

In 1950 verhuisde Banjac als achtjarige jongen met zijn ouders naar Belgrado; opa en oma bleven achter in Kosovo. „Wij hebben ons in Belgrado altijd ontworteld gevoeld. Kosovo is en blijft thuis, het betekent alles voor mij. Kosovo, de kerk en rakija bepalen mijn identiteit.”

Vier jaar geleden was hij voor het laatst in zijn geboorteplaats Berkovo. „Het was in mijn jeugd nog honderd procent Servisch. Maar tijdens de Kosovo-oorlog hebben de Albanezen het dorp volledig plat gebrand.” Alleen onder begeleiding van KFOR (NAVO-) soldaten mocht Banjac de oude begraafplaats bezoeken. „Van het graf van mijn grootvader waren ze gelukkig met hun poten afgebleven.”

Hij acht de kans minimaal dat zijn eigen kleinkinderen ooit nog rakija zullen stoken in Kosovo. „De familie heeft er geen land meer. Heel spijtig, want nergens anders is de grond zo vruchtbaar. Je hebt daar twee keer per jaar een fruitoogst. Maar de Albanezen doen er niets mee, ze verwaarlozen de boel.”

Dit is de Balkan,

een geurende bloem,

een volkomen raadsel,

voor de rest van de wereld.

Een maximumscore van 20 punten heeft rakijaprofessor Ninoslav Nikicevic nog nooit iemand toegekend. De rakija van Banjac kreeg 17,8. „Niet slecht voor een debutant”, oordeelt Nikicevic. Vanachter zijn bureau houdt hij een glas met 33 jaar oude rakija tegen het licht, draait wild met het glas en wijst dan op de bubbeltjes. „Dat noemen wij de tranen. Hoe langzamer ze naar beneden zakken hoe dikker en beter de rakija.” Volgens de professor kan de beste Servische rakija zich meten met de fijnste Franse cognac of Schotse whisky. „Maar er moet nog flink worden gesleuteld aan de mentaliteit van de makers. De domaca-producenten moeten zich realiseren dat de eer van ons land op het spel staat. In goed gemaakte rakija zie je Servië terug. De geur en de smaak weerspiegelen onze ziel. Wie suiker toevoegt, begaat een anti-Servische daad.”

Wij zijn geen kruipers, zegt Jelica Novakovic. „Met een flinke dosis meerderwaardigheidsgevoel kijken Serviërs neer op Slovenen, Tsjechen en al die anderen die op hun rug zijn gaan liggen voor de Europese Unie.”

Naast haar drukke baan aan de vakgroep Neerlandistiek vond Jelica Novakovic tijd om honderden kafana’s (kroegen) in Belgrado te bezoeken, als research voor het kroegenboek Het Kafana-tribunaal dat ze samen met de Vlaamse student Sven Peeters schreef. De Rakia Bar is een van haar favorieten. „Daar zie je hoe eigenwijze ondernemers goed hebben gejat van vormgeving uit het Westen, zonder in te leveren op de kwaliteit, de Servische rakija.”

„Het is de hartstocht en de volheid van leven die ons altijd zo duur komen te staan”, noteerde ze in 1999 in haar dagboek vanuit Belgrado, terwijl om haar heen de NAVO-bommen kraters sloegen in de stad.

Het isolement waarin Servië geraakte heeft haar niet bitter gemaakt, wel opstandig. „Ik steek vaak genoeg mijn middelvinger op naar de buitenwereld. Maar net zo vaak denk ik: waren we als Serviërs maar wat pragmatischer zoals de Slovenen.”

Over het uiteenvallen van Joegoslavië heeft ze genoeg getreurd. „Wat er nu met Kosovo gebeurt doet me niet veel, na al die jaren bekijk ik dat rationeler. Ik huil niet meer. Slecht voor mijn make-up.” ◀

Geciteerde fragmenten, uit Servische rockballades en gedichten, komen uit het Nederlandstalige kroegenboek ‘Het Kafana-tribunaal’, uitgeverij Clio, www.clio.co.yu)