De ware fan dweept om te leven

Fan en idool hebben een intieme relatie. De moderne fan ontleent zijn identiteit aan de aanbedene. In de devote verering van sport-helden en artiesten klinken de echo’s door van de heiligen-verering uit vroeger eeuwen.

Herman Pleij

Het leven van de fan is rijk gevuld. Bij alles speelt een dwingende dimensie mee die beheerst wordt door de vereerde held, instelling of verbeelding. Gaat het om aanbeden personen, dan hoeven die daar niets van te weten – al zou het heerlijk zijn als dat wel zo was. Stel je voor dat je idool persoonlijk laat merken met welk gedrag je zijn eeuwige sympathie kunt verwerven. Maar meestal moet je dat zelf verzinnen. En dan kun je kiezen voor kleren die de verering markeren, of beter nog, uitschreeuwen. T-shirts met een foto, speldjes, tatoeages en ook imitaties van kleding en gedrag van het idool maken duidelijk wie je bent. Daar mag geen twijfel over bestaan, want zonder die merktekenen ben je niemand.

Deze intieme relatie kan thuis verder uitgebouwd worden tot echte devotie. Dan krijgt de woning het karakter van een gewijde plaats, met altaren in huiskamer en slaapvertrek. Daar kunnen de verzamelde souvenirs als relikwieën uitgestald worden. Foto’s, initialen en logo’s leveren de patronen voor behang, gordijnen en dekbedden. Hoogtepunten zijn kleren of gebruiksvoorwerpen die in het bezit van de held zijn geweest. Het mooist is een haarlok. Maar ook vluchtig door hem aangeraakt of gesigneerd materiaal, bijvoorbeeld een kledingstuk van jezelf, verdient het om op een voetstuk te staan. Op die manier is de geest van het idool binnen handbereik en kan hij op elk gewenst moment tot leven gewekt worden. Daardoor heeft de fan ook macht over de aanbedene: die moet verschijnen als hij hem nodig heeft.

Zulk gedrag vertoont echo’s van heiligenverering uit vroeger eeuwen. Het lichamelijke in deze devotie behoort tot de kern van de overgave. De gelovige probeert zo dicht mogelijk bij de aanbedene te komen, met als gedroomde voltooiing de uiteindelijke eenwording met de heilige. Die kan zich voltrekken in vormen van eucharistie. De lichamen van potentiële heiligen als kruisvaarders en geestelijke weldoeners blijken nogal eens aangebeten te zijn door vereerders, die op die manier de vervulling van hun toewijding meenden te kunnen realiseren. Als het niet anders kon, stelde men zich tevreden met het koesteren van stukjes haar en bot. Telkens liep het stoffelijk overschot het risico geplunderd te worden door de gelovigen, die daarmee niet alleen hun eigen heil probeerden zeker te stellen maar ook wilden profiteren van de mirakelen die zich rond zo’n relikwie zouden manifesteren. Bij Antonius van Padua, de beroemde volksprediker uit de dertiende eeuw, had men het gemunt op een stukje teen, een deel van een oor en vooral fragmenten van zijn tong – die moest gezien zijn uitzonderlijke begaafdheid als spreker beslist geheiligd zijn. Daarom liet de overheid hem in zijn laatste jaren vergezeld gaan van lijfwachten, die hem moesten beschermen tegen vroegtijdige verkaveling.

Moderne varianten van dergelijke pogingen tot versmelten met de aanbedene zijn te herkennen in het hardnekkige stalken, waaronder de grote sterren te lijden hebben. Daarbij kunnen de frustraties over de gemankeerde eenwording zelfs uitlopen op moord zoals in het geval van John Lennon. Evenals de heilige verstrekt het idool identiteit, en niet zo’n beetje ook. Hoe gelukkig je keuze is als fan, wordt bevestigd door geloofsgenoten die dankzij hun uniforme uitrusting meteen te herkennen zijn. Gezamenlijk ritueel geeft daaraan nog eens extra accenten. Hoe meer fans, hoe duidelijker mag zijn dat je het eigen bestaan op superieure wijze hebt weten te verheffen tot een hoger plan. De torenhoge kwaliteiten van het idool stralen af op de fan. Daarvan kan hij genieten temidden van zijn medefans, die eveneens uitverkoren zijn. De eenzame fan bestaat niet, in tegenstelling tot het idool, waarvan er uiteraard maar één kan zijn.

Verering, uiterlijk, gedrag en ritueel vereisen een navenante discipline. Laksheid werpt meteen een smet op de held, die kennelijk niet genoeg weet te boeien. Bovendien zal hij zelf vast boos worden – verdrietig is ook een optie – als hem zulke nalatigheden ter ore komen. De ware fan kan nooit een beetje fan zijn. Volledige toewijding spreekt vanzelf, eventueel uit praktische overwegingen te concentreren buiten kantooruren. Fans regelen die discipline graag in verenigingsverband, waarmee tegelijkertijd de grootheid van hun held aangegeven wordt. En voor heel wat fans komt dit ritueel in de plaats van de gemeenschappelijke geloofsbelijdenis in de kerk.

De georganiseerde fancultuur kan zich ook richten op een voetbalclub of een verbeelding als Harry Potter. Maar in die gevallen is eveneens personificatie nodig om de verering vorm te geven. De voetbalclub vindt tastbare vertegenwoordigers in de spelers en de droomfiguur in de acteurs die hem belichamen. Maar daarbij zijn er duidelijke verschillen – de fan is niet gek. Gaat de acteur die Harry Potter tot leven bracht andere rollen spelen, dan verliest hij elke betekenis voor de fan. Verder vormen de voetballers dan wel het richtpunt voor de aanhangers van de club, zo gauw ze verdwijnen naar een andere club laten de fans hen vallen als een baksteen. Er kan zich zelfs een zekere vijandigheid voordoen, nu de vertrekkende voetballer de grootheid van de eigen club kennelijk niet meer wil inzien.

Fangedrag blijft niet beperkt tot jongeren of de massa in het algemeen. Gaat het om voetballen, dan verschijnen er ook gezeten burgers en intellectuelen. Zo ken ik verschillende hoogopgeleide Ajax-fans, die zonder mankeren andere clubs en hun spelers verdoemen als vuile bedriegers, die met valse streken en grof geweld de kunstenaars van Ajax verhinderen hun goddelijke kwaliteiten te tonen. Kennelijk bestaat ook onder intelligentsia behoefte aan een primitief schema van goed en kwaad voor de vrije tijd. Dat is dan veilig weggeborgen in de sport, waar het een compensatie biedt voor het eindeloze nuanceren en relativeren dat van hen in het normale leven gevraagd wordt. Bovendien biedt de dimensie van de vrijetijdsbesteding een aantrekkelijke vluchtmogelijkheid: het is toch maar sport en dus kan extreem fangedrag ook als spel weggewuifd worden.

Fans komen in alle kringen voor en hun organisaties voorzien in diverse behoeften. In Nederland lijkt hun gedrag een paar eigen accenten te hebben. Zo valt buitenlanders meteen op dat sporthelden hier gebruikt worden om ‘Holland’ een woordje mee te laten spreken in de wereld. De aardbol wordt oranje geverfd om ‘onze’ jongens en meisjes aan te sporen zich van de wereldhegemonie te verzekeren in de sporten die we goed kunnen. En de fans dossen zich uit in de wonderlijkste kostuums, waarin altijd het oranje of rood-wit-blauw domineert. Dat moet tot de compensaties behoren voor de gemiste grootheid van de Gouden Eeuw en de VOC, kortom voor de tijden dat de wereld nog naar ons luisterde.

Verder wordt hiermee de lacune gevuld van een gemankeerd staatsnationalisme. Nederlanders worden nogal lacherig van de hand op het hart tijdens het hijsen van de nationale vlag en het tot vervelens toe zingen van een martiaal volkslied. Hier werkt het Wilhelmus eerder als uiting van saamhorigheidsgevoel. Dat leeft sterk in Nederland, al sinds de gilden uit de laatmiddeleeuwse steden tot en met de moderne verzorgingsstaat, die wel in Nederland uitgevonden lijkt te zijn. Daarom hechten we eraan dat de tekst onbegrijpelijk is en blijft. We hebben geen behoefte aan tromgeroffel op het gebeente van de voorvaderen, het moet gezellig blijven. Dan is de wijs voldoende, tamelijk slepend en zeurderig zodat iedereen ruimschoots de tijd krijgt om de armen ineen te slaan.

In dat patroon past alleen de verering van sporthelden. Ze moeten de fan suggereren dat hij normaal gesproken ook zulke topprestaties kan verrichten, en dat alleen wat toevalligheden een dergelijke carrière in de weg staan. De mate van gewoon doen bij de presentatie van hun uitzonderlijke talent bepaalt de populariteit van de sporthelden. Hoe gewilliger ze zich op de schouders laten kloppen, hoe populairder ze kunnen worden. Ook op de fiets naar huis gaan, er in smoking of avondjurk uitzien als een verklede bouwvakker en het kleineren van de eigen prestaties als gewoon geluk dragen daartoe bij. Ooit werden meervoudige wereldkampioenen schaatsen uitzinnig vereerd, omdat ze zo gewoon waren gebleven. Twee keer gaven zulke kampioenen te kennen dat zij na hun carrière graag postbode wilden worden. Zo horen wij het graag. En de laatste winnaars van de Elfstedentocht waren respectievelijk veehouder en spruitjesteler, oer-Hollandse beroepen die kennelijk uitnodigen tot het leveren van topprestaties als bijbaan.

De Nederlandse fan hoort zich in hoge mate te kunnen identificeren met zijn idool. En er is nog alle kans dat hij in de buurt komt. Daar spelen de media op in met succesprogramma’s als Big Brother, Idols, de X-Factor en de maandenlang gerekte verkiezing van een nieuwe musicalster voor Evita uit een groepje ‘gewone’ meisjes die toevallig kunnen zingen en dansen. Daarnaast loopt de kijker voortdurend kans te worden verheven tot Bekende Nederlander in een eindeloze reeks praatprogramma’s en treur-, jammer- en huilshows, waarvan er hier meer lijken te zijn dan elders – van sommige hebben we de formats met succes verkocht aan de rest van de wereld.

Door de extreme gelijkwaardigheidsentimenten in de Lage Landen zitten fan en idool elkaar op de huid. Helden en leiders staan in weinig aanzien. Alleen als volksheld maken ze enige kans, waarbij het accent steeds ligt op hun herkenbaarheid als doorsnee mens. Bij André Hazes’ uitvaart in de Amsterdamse Arena bleven 50.000 mensen hysterisch uitschreeuwen wat voor een gewone gozer en toffe gabber nu wel van ons heengegaan was. Dat Hazes eerder ongewoon aandeed, met een heel apart zangtalent en tamelijk bizarre leefgewoonten, mocht de emotie niet dempen. Zijn voorkomen en accent boden het potentieel van een herkenbaar maatje, dat toch iets bijzonders in huis had. Dat laatste wisten de fans wel, maar het ging hun vervolgens om het uitvergroten van dat gewone. André was niet alleen van het volk, hij leverde namens dat volk ook prestaties die iedereen in zich aanwezig kon voelen. Zelden is iemand meer nagezongen op feesten en in cafés, voetbalstadions en badkamers dan onze André. Daarom moest hij een standbeeld hebben. En natuurlijk niet zo’n aanstellerig kunstwerk van een artiest met verbeelding, maar een gewoon beeld dat precies deed wat standbeelden horen te doen: er net zo uitzien. Die werden volgens zijn weduwe alleen maar in China gemaakt, en dus staat er een Chinees beeld van André in de Amsterdamse Pijp.

Aan klassieke standbeelden van nationale helden ontbreekt het hier verder opvallend, vergeleken met het buitenland. Willem van Oranje, toch martelaar, vrijheidsheld en stichter van de natie, is nauwelijks te vinden. Een traditioneel ruiterstandbeeld vond men niet bij hem passen, vandaar de uitbeelding als Vader des Vaderlands op het Haagse Plein. Onze helden (nou ja) worden bij voorkeur gereduceerd tot gezinshoofd, want zo valt alles beter te overzien. Daarom bevolken we het nationale huishouden met antihelden als Vader Cats, Vader Drees, Kniertje, Reve’s romanheld Frits Egters, Ciske de Rat en de scheepsjongen van Bontekoe – niet Bontekoe zelf. Daar sluit het nationale onderscheidingswezen op aan. Allang wordt niemand meer in de adelstand verheven. Maar er is wel een jaarlijkse lintjesregen, waarbij deze uitdrukking op zichzelf al aangeeft hoe verregaand het Nederlandse heldendom gedemocratiseerd is.

Een enkele krijgsheld redt het alleen door de verbouwing tot de juiste proporties. Daardoor is Michiel de Ruyter allereerst de kwajongen in de blauwgeruite kiel, bezeten van kattenkwaad. Maar gelukkig wist hij zijn nederige baantje tijdig om te zetten in dat van zeeheld. Zo’n carrière hield hij ook zijn matrozen voor: iedereen kon wereldberoemd worden. De verhalen over zijn eenvoud zijn verder legio. Toen de Fransen hem een lauwerkrans om de slapen wilden drukken, bleek hij onvindbaar. Uiteindelijk werd hij gevonden in zijn slaaphut waar hij zelf zijn kooi opmaakte. Verder zou hij wars van elke geleerdheid geweest zijn, immers ook een vorm van verbeelding. De intellectueel Johan de Witt verweet hij dat deze alles wel mooi kon uittekenen op papier, maar dat de praktijk toch telkens weer anders uitpakte. Daarom culmineerde De Ruyters loopbaan in de verheffing tot ‘Bestevaer’, letterlijk grootvader en dus weer een opperhoofd van het nationale gezin. Juist deze nederigheidsexercities zijn in dit nog lopende herdenkingsjaar van de zeeheld opnieuw belicht. En daarop aansluitend is zijn grootste daad nog eens nadrukkelijk gekleineerd. Michiel blijkt in de Tweede Engelse Oorlog aanvankelijk tegen de tocht naar Chatham geweest te zijn. Die is doorgedreven door de vernuftige De Witt. Op zijn aandringen gaat men met een konvooi oorlogsschepen de Theems op. Bij Chatham varen deze dwars door een enorme ketting, om vervolgens de Engelse schepen in de rivierhaven te verwoesten. Op het laatste moment heeft De Ruyter zich nog bij deze roekeloze onderneming gevoegd, die zonder hem begonnen was. Toch handig van zo’n gewone held.

Langs zulke wegen is de door adellijke heren in 1296 vermoorde Floris V gepromoveerd tot ‘der keerlen God’, een soort Robin Hood dus die het opgenomen heeft voor het volk. Daarom is hij afgemaakt door arrogante edellieden. Zelfs de excentrieke Pim Fortuyn is herschapen tot redder van de massa. In ieder geval gedroegen zijn volgelingen zich ook na zijn dood eerder als fans dan als partijgenoten. Hij werd uitzinnig toegejuicht en betreurd met de hoogste offers die de ware fan daarvoor gereed heeft: intieme knuffelbeesten, gedichten, flessen whiskey en andere items die aan de vereerde held doen denken. Pim nam het op voor de verdrukten, die nooit voldoende stem hadden gekregen om hun eigen bestaan en toekomst in te richten. Die lieten zich graag aanpraten dat ze het slachtoffer waren van achterkamertjespolitiek. Hun problemen, frustraties en meer dan gerechtvaardigde verlangens zou Pim als volkse redder in nood op korte termijn weten op te lossen door schoon schip te maken in Den Haag: ‘At your service!’

Opmerkelijk is wel dat zijn uiterlijk en gedrag allerminst uitnodigden tot identificatie bij zijn fans. Hij deed allerminst gewoon met zijn excentrieke gedrag, arrogantie, dure pakken en hardcore-homoseksualiteit. Dat werkte net als het carnaval, dat kortstondig aan vele frustraties een ventiel biedt en de gemeenschap zuivert van de in het afgelopen jaar opgelopen schade. Daarna vat men gelouterd en wel het oude bestaan weer op. Zo was het met Fortuyn bij leven en welzijn vast ook gegaan: carnavalsheld van het volk, die nadien weer zijn eigen weg zou hebben gekozen. Een dergelijk ritueel is te vergelijken met de vorstin, die één keer per jaar uitrukt in een Gouden Koets en vanaf een immense troon een tekst reciteert temidden van vrouwelijke politici met nog gekkere hoeden. Daarmee wordt bevestigd hoe wij de rest van het jaar op normale wijze ons werk willen doen. En ook hierbij zijn de dweepzieke fans niet weg te slaan.

Huidige fans proberen op te gaan in hun idool. Niets van de held mag verborgen blijven, vandaar dat de gemiddelde fan enorme collecties aanlegt van alles wat met hem te maken heeft – de fan is ook verzamelaar. Daarnaast vormt de aanraking een hoogtepunt in het vereringsritueel. Dat krijgt verder gestalte op een altaar met foto’s, knuffels en andere intiem aandoende voorwerpen. In Nederland bestaat daarbij een belangrijke categorie volkshelden, die zelfs de gedaante van antihelden kunnen aannemen. Dan moeten de aanbedenen in bijna elk opzicht een voorstelbaar uiterlijk en gedrag vertonen, geschikt voor onmiddellijke identificatie. De bijbehorende prestaties kunnen dan vanzelf overgaan op de fan. Of niet natuurlijk. Maar hoe dan ook beschikt deze over een identiteit. Voor de fan zelf: dé identiteit.

Herman Pleij is hoogleraar in de historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.