De Permanente Parlementaire Zelfenquête

De Tweede Kamer heeft de smaak te pakken van het parlementaire onderzoek, de light versie van de parlementaire enquête. Gisteren werd het openbare gedeelte afgesloten van het onderzoek inzake de onderwijsvernieuwingen van de laatste twintig jaar. Nadat de laatste dagen ook al werd geroepen om zulke zware onderzoeken naar de overheidsautomatisering en de jeugdzorg.In al die gevallen balanceert de Kamer tussen haar rol als strenge controleur en die van schuldbewuste medeverantwoordelijke. Naarmate men meer is gaan meebesturen en allerlei beleidsvoorkeuren en bestuurswensen oplegt, brandt men vaker de vingers als het later fout gaat. Sterker nog, er is gegronde aanleiding op veel van die probleemgebieden te vermoeden dat juist het parlementaire bemoeibestuur een belangrijke factor is bij het ontsporen.

Bij de onderwijsvernieuwingen was het misschien meer een gebrek aan onafhankelijk denken dat zoveel heeft laten gebeuren waar men nu spijt van heeft. Het collectief meedeinen door de grote fracties is bijna net zo erg als onverstandig ingrijpen in foutloos kabinetsbeleid. Minister Plasterk hoopt dat het lopende onderzoek van de commissie-Dijsselbloem niet het beeld versterkt dat het allemaal de schuld van PvdA-bewindslieden is. Van de laatste vier ministers van Onderwijs was er maar één van ons, zegt hij.

De minister heeft gelijk dat CDA en VVD in Kamer en kabinet volop hebben meegedaan aan het grote rondschoffelen van het onderwijs. Die collectieve verantwoordelijkheid blijft makkelijk onderbelicht als je ziet dat de commissie vrijdag een verhoorfinale had gepland met impliciet drie ‘hoofdverdachten’: Wallage, Ritzen en Netelenbos. De drie PvdA-bewindslieden kwamen getuigen in dubbeldikke sessies van twee uur. Hoe meer zij van de prins geen kwaad wisten, hoe meer zij wezen op internationale cijfers die zeggen dat we het zo goed doen, des te sterker contrasteerden de vragen van de commissieleden.

Dat was misschien wel het meest verrassende van drie weken hoorzittingen, in de enquêtezaal zat een nieuwe generatie - zo te zien zonder veel partij- of themaloyaliteit - te kijken naar meneren en mevrouwen van vroeger. De invoering van de basisvorming leek voor hen net zo reëel als Het Twaalfjarig Bestand, ‘wel van gehoord maar verder niet meegekregen’. Dat werkte verfrissend, al bestond het gevaar dat gewiekste dossiervreters stellige verzekeringen konden uitspreken die wel een wedervraagje verdienden.

Gelukkig gaf de commissie in eerdere zittingen ook tijd aan beleidsbedenkers van weleer en aan wetenschappelijke waarnemers met een grotere afstand tot de gebeurtenissen. De hoorzittingen waren een publiek vervolg op gesprekken die de commissie eerder binnenskamers voerde. Dat voedde de openbare ondervraging maar ontnam de woordenwisseling wat scherpte. Hoorzittingen in de Amerikaanse Senaat willen nog weleens wat puntiger formuleringen en meer nieuws opleveren.

De in innovatiejargon verpakte idealen staken mild af bij de heftigheid die in de meeste onderwijsdebatten in het land snel de kop opsteekt. Nadat ik enkele weken geleden verslag deed van een thuisavond van leden van Beter Onderwijs Nederland plus een onderwijsdebat van vernieuwingsmanagers in De Rode Hoed werd ik bedolven onder post van bekende en onbekende stakeholders in dit dispuut. De middenberm bleek smal.

Men is voor of tegen onderwijsvernieuwingen. Wie bij ‘het proces’ betrokken is haat BON want dat zijn ‘verzuurde oude leraren’. In Houten was daar niets van te merken, verontrust waren zij wel, verzuurd, welnee. Zoals ook niet alle leidinggevenden in het onderwijs Dr. Mabuse heten. Toevallig heb ik in de loop der jaren vrij veel onderwijsvormen en -soorten gezien in binnen- en buitenland. Het is waar dat er altijd veel geklaagd wordt in de docentenkamer. En het is een feit dat in geen land tevredenheid bestaat over ‘het onderwijs’.

Het is me ook opgevallen dat nergens zo luchtig enorme systeemwijzigingen worden bedacht en doorgevoerd als in Nederland. Vaak zonder voldoende wijsheid. Om bijvoorbeeld op kleine schaal met een nieuwe methode te experimenteren. Te vaak, dat bleek ook de afgelopen weken, was er onvoldoende geld om wat men had bedacht goed te kunnen invoeren.

En terwijl op goede gronden was bedacht dat kinderen minder snel voor het leven geselecteerd moeten worden, werd een poging om schooltypes langer bij elkaar te houden vermengd met grootschalige fusies. Dat was niet hetzelfde, zei Wallage. Maar het is wel vaak gebeurd. Na het afserveren van de middenschool werd een halfbakken basisvorming ingevoerd. En de Tweede Fase werd gecompliceerd met het Nieuwe Leren en Het Studiehuis, dat niet bestaat en gewoon een computergang zonder leraar is.

Nederland heeft structureel te weinig over voor onderwijs. Als de lerarenbond de 1,1 miljard van Plasterk niet wegstaakt, en de leraren uitzicht krijgen op wat betere betaling, dan blijft de grote leugen van de kenniseconomie die wij zo omhelzen maar niet bekostigen. Het valt te hopen dat de commissie-Dijsselbloem ook die conclusie trekt. Als zij toch zo fris en open van geest haar werk doet, kan de commissie van haar one minute of fame gebruikmaken door Nederland een spiegel voor te houden.

Uit de hoorzittingen bleek dat de vraag hoe je rusteloze leerlingen boeit en weerbaar maakt in de jaren tachtig en negentig drastische antwoorden kreeg. Die zijn te abrupt, als adviesbureaupap in de kelen gegoten. De leraren hebben zich voor het overgrote deel bij de eigen les trachten te houden en niet collectief hun hand opgestoken. Dat verwijten zij zich nu soms zelf, maar dat is ook een wijsheid achteraf waar de Tweede Kamer haar voordeel mee kan doen.

Stel de commissie-Dijsselbloem schetst dit beeld. Misschien was staatssecretaris Netelenbos met haar vmbo-dadendrang onwijs, de nu gelauwerde Deetman richtte met zijn nahossers-salarisbesluit ook grote schade aan. En Ritzen presideerde in zijn negen jaar op onderwijs over de ontgoocheling van een sector. Ieder heeft zijn nuances en aanvullingen. Maar schuld is niet boeiend. Waar het om gaat is dat dit land krenterig omgaat met onderwijs en allerminst zuinig is met z’n pedagogische en menskundige ambities. Zelfs de rekenvaardigheid van de Nederlandse bevolking is er door aangetast.

Als de Tweede Kamer iets kan opsteken van deze en andere parlementaire onderzoeken naar het gevoerde beleid én zijn eigen functioneren daarin, dan is het dat slimme bescheidenheid loont. Gewoon Hollands praktisch blijven.