Bos zoekt balans tussen vrijheid en grip

Het blinde geloof in de heilzame werking van de markt is voorbij. Minister Bos wil grip houden op strategische bedrijven nu buitenlanders met grote zakken geld onderweg zijn.

Wouter Bosheeft iets opmerkelijks gedaan. De minister van Financiën heeft aan de rem getrokken bij het privatiseren van staatsbedrijven. Sterker, Bos wil een andere koers inslaan, blijkt uit zijn notitie over staatsdeelnemingen, die gisteren in het kabinet is besproken. Niet langer is ‘privatiseren, tenzij’ het adagium, maar ‘publiek, tenzij’. Een natuurlijke neiging voor een sociaal-democraat, sneert de cynicus. Toch staat de PvdA-leider niet bekend als een linkse moraalridder.

Bos is eerder een sociale markteconoom, die als minister van Financiën laat zien dat hij een balans zoekt tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Want de tucht van de vrije markt mag heilzame effecten hebben, de staat moet, volgens Bos, in sommige gevallen ook weer zijn verantwoordelijkheid nemen nu machtige staatsinvesteringsfondsen uit Rusland, China en Arabische landen met zakken vol geld - 2.000 tot 3.000 miljard dollar, schat het IMF - onderweg zijn.

Dat het etatistische Frankrijk eerder al een lange lijst van strategische industrieën opstelde die bescherming genieten, verbaast nauwelijks. Dat het economisch liberaler Duitsland wetgeving in de maak heeft om buitenlandse investeerders, die een aanzienlijk belang willen nemen in bedrijven in de „publieke veiligheid” of de „strategische infrastructuur”, te toetsen is een signaal. Dat nu ook Nederland met zijn vriendelijke politiek voor internationale investeerders nieuwe piketpalen slaat voor staatsbelangen, wijst onmiskenbaar op het terugslaan van de pendule: van privaat naar staat. Maar dan wel een slimme staat die alleen nog belangen heeft in sectoren die van ,,vitaal belang’’ zijn voor de economie.

„De uitdaging is om niet in de reflex van protectionisme te vervallen”, licht Bos toe. „In de jaren negentig was er een enorm geloof in de doelmatigheid van de markt. Dat blinde geloof hebben we niet meer.” Dat hebben de lessen uit misgelopen verzelfstandigingen volgens hem wel geleerd.

In Groot-Brittannië werd de privatisering van het spoor, na ongevallen door gebrekkig onderhoud, deels teruggedraaid. In Nederland was het loodswezen nog niet geprivatiseerd of de salarissen rezen de pan uit, want het monopolie bleef bestaan. Buslijnen in de provincie werden uit kostenoogpunt opgeheven. Deze week werd bekend dat de volledige liberalisering van de postmarkt is opgeschort, omdat het kabinet nog „te veel onduidelijkheden” ziet.

De privatisering van het zogenoemde laaghangend fruit, zoals KPN of Pinkroccade die al volledig commercieel opereerden in een marktsituatie, is achter de rug. Sinds 2001 zijn vijftien deelnemingen afgestoten. Daar heeft volgens de minister niemand spijt van. „Maar met de huidige staatsdeelnemingen zijn ingewikkelde publieke belangen gemoeid. Het gaat om bedrijven die van groot belang zijn voor de Nederlandse economie: energiebedrijven, financiële dienstverlening, Schiphol. Met de luchthaven is wegens het milieu en de economische impact een strategisch rijksbelang gemoeid.

Hoe meer afstand de staat houdt, hoe lastiger het volgens Bos wordt om greep te houden. Daarom dienen de resterende 33 staatsdeelnemingen - variërend van 100 procent bij de NS en de Nederlandse Gasunie tot 1 procent in het defensiebedrijf Thales - in principe in handen van de staat te blijven. Alleen de resterende aandelen in het vervoersbedrijf Connexxion, dat aan het Franse Transdev is verkocht, zullen - anders dan deze krant gisteren berichtte - over vijf jaar volgen.

Tegelijkertijd heeft het kabinet nieuwe deelnemingen genomen in strategische projecten zoals het Havenbedrijf Rotterdam. Aan deelname in de Zuidas in Amsterdam wordt gewerkt. Met zijn CDA-collega Van der Hoeven van Economische Zaken onderzoekt hij hoe met staatsfondsen om te gaan. „Indien buitenlands eigendom specifieke risico’s met zich meebrengt, is publiek aandeelhouderschap een van de potentiële middelen om risico’s te ondervangen”, meent de minister. „We willen met onze deelnemingen geen risico lopen, dat ze in handen vallen van oncontroleerbare staatsfondsen. Dan heb je nauwelijks invloed meer op investeringsbeslissingen.”