Antilliaanse ontbinding met behoud van bufferfunctie

De Nederlandse regering heeft besloten de Antilliaanse eilanden meer ruimte te geven voor de definitieve uitwerking van de regelingen voor de afzonderlijke eilanden na opheffing van het onderlinge landsverband.

Intussen neemt de weerstand tegen die opheffing toe, dat wil zeggen: tegen de hieraan vooral door Nederland verbonden gevolgen. Het wegvallen van het Antilliaanse landsverband haalt de bufferfunctie weg van Fort Amsterdam in Willemstad. De eilandengemeenschappen krijgen daardoor meer direct te maken met Nederland, en dus ook met Nederlands toezicht.

Sommige eilanden willen dit juist. Saba, St. Eustatius en Bonaire koesteren de hoop dat een directe band met Nederland meer aandacht en meer financiële rugdekking oplevert. Maar Curaçao en St. Maarten zien hoofdzakelijk de nadelen: meer bemoeienis en dus verdergaande beperkingen van hun traditionele vrijheidsgraden. Helemaal onbegrijpelijk is die weerstand niet. Ook in Nederland zit niemand te wachten op grotere bemoeienis met de eilanden. Eerder willen wij het omgekeerde.

De vraag is dan ook of niet alsnog in een bufferfunctie dient te worden voorzien die zorg draagt voor een evenwichtig verkeer over en weer, ondersteund met verschillende expertisefuncties voor de afzonderlijke eilanden. Dit liefst met één Gouverneur voor alle eilanden, inclusief Aruba. Ook uit economisch en sociaal-politiek oogpunt is er alle reden om de blijvende gemeenschappelijke belangen van de eilanden net zo serieus te nemen als hun verlangen naar meer eigenheid. Dan zou ook een incident zoals nu, tussen staatssecretaris Bijleveld en de Bonairiaanse politicus Ramoncito Booi makkelijk kunnen worden opgevangen (NRC Handelsblad, 5 december). Want inderdaad moet, zoals Booi zegt, Bijleveld zich niet ”als loopmeisje van de Bonairiaanse oppositie laten gebruiken”.