Als het niet hoeft ...

Nederlandse scholieren zijn niet slecht in de bètavakken, maar zeggen eerlijk dat ze er niks aan vinden. Derk Walters

Lezen en rekenen konden de Nederlandse 15-jarigen al en naar nu blijkt zitten ook de bètavakken er prima in. Maar niet de negende plaats voor de natuurwetenschappelijke prestaties van de Nederlandse scholieren trekt deze keer de aandacht in het PISA-onderzoek van de OESO. PISA 2006, dat afgelopen week werd gepubliceerd, wijst op een onderliggend probleem. Hoe aardig hun prestaties in de bètavakken ook zijn, Nederlandse scholieren vinden er weinig aan. En meisjes al helemaal niet.

Het begint al met de constatering dat Nederlandse 15-jarigen relatief weinig waarde hechten aan de natuurwetenschappen. 46 procent noemt de vakken natuurkunde, scheikunde en biologie „relevant voor mij”. In slechts vier van de 57 onderzochte landen – bijna alle Westerse landen, aangevuld met landen in Zuid-Amerika en Azië – is dat percentage lager.

Twee op de drie Nederlandse kinderen zegt dat de natuurwetenschappen hen helpen om de dingen om de wereld om hen heen te begrijpen. Dat lijkt heel wat, maar op de Australiërs na scoren alle landen hierop hoger.

Gevraagd naar hun interesse in specifieke vakken, zoals biologie, scheikunde en natuurkunde, scoren Nederlandse scholieren zelfs het laagst van allemaal. Ook hebben de Nederlandse 15-jarigen van alle scholieren het minste plezier in het leren van natuurwetenschappelijke onderwerpen. Nederland behoort tenslotte dan ook tot de landen waar scholieren het minste toekomstperspectief zien in de natuurwetenschappen.

eerlijker

Eerst even een relativering. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat de Nederlandse leerlingen minder geneigd zijn sociaal gewenste antwoorden te geven dan jongeren in andere landen, zegt Cristien van Dijk van de VHTO, Landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen en bèta/techniek. Nederlandse leerlingen kijken bijvoorbeeld wel relatief vaak naar wetenschapsprogramma’s op televisie, zegt zij.

Dit PISA-onderzoek “bevestigt wat we al een beetje wisten”, zegt voorzitter Henk Huijsmans van de Nederlandse Vereniging voor Onderwijs in de Natuurwetenschappen (NVON). Om die reden zijn de natuurwetenschappelijke vakken al in actie gekomen. Zo worden de examens en de lessen in de bovenbouw van een nieuw jasje voorzien, legt Huijsmans uit. En er wordt geprobeerd de lessen natuurkunde, scheikunde en biologie meer te laten aansluiten bij „de leefwereld van de leerlingen”. Bovendien kunnen scholen sinds dit schooljaar een nieuw vak aanbieden: ‘natuur, leven en technologie’, waarin leerlingen zelf onderzoek doen naar en technische oplossingen bedenken voor realistische vraagstukken. In samenwerking met hoger onderwijs en bedrijfsleven. Huijsmans: „Dat vak kan op grote belangstelling rekenen, bij scholen en bij leerlingen.”

Maar de huidige 15-jarigen zijn niet geboeid. Dan moeten de lessen toch oninteressant zijn? En dan falen de campagnes toch?

Als een van de mogelijke oorzaken voor de tanende belangstelling noemt Huijsmans het dalende aantal contacturen, waarin minder tijd is voor ‘leuke’ dingen. Beatrice Boots van het Platform Bèta Techniek noemt het beroepsperspectief van bètastudies „onduidelijk”. „Leerlingen denken dat je met wiskunde alleen een saaie professor kunt worden. Maar banken zitten te springen om wiskundigen.”

meisjes

En dan de meisjes. Nederland is een van de weinige landen waar jongens significant beter presteren in de natuurwetenschappen dan meisjes. En dat niet alleen, de jongens zijn ook zelfwerkzamer, ze vinden het leuker, ze zien er meer toekomstperspectief in en ze lezen liever over exacte wetenschap. Dat klopt, zegt Van Dijk. Maar het geldt niet voor alle vakken. Biologie is bijvoorbeeld best populair bij meisjes. En interesse is „maakbaar”, zegt Van Dijk. „Het maakt bijvoorbeeld nogal uit of je een goede leraar hebt.”

Huijsmans noemt het vooral „zorgelijk” dat meisjes heel weinig voor het profiel Natuur & Techniek kiezen, waarmee ze een exacte studie in feite blokkeren. Veel meisjes, zegt hij, denken dat dat profiel te moeilijk voor hen zal zijn. „Er wordt ook gestigmatiseerd, soms door leraren, soms door hun omgeving. De bètavakken zouden niets voor meisjes zijn.” Van Dijk, denkt dat het vooral te maken heeft met hun zelfbeeld. „Ook al scoren ze even goed als jongens, dan nog tonen ze minder zelfvertrouwen.”

Beatrice Boots van het Platform Bèta Techniek ziet ook niets van ‘feminiene desinteresse’. Sinds 2000, zegt ze, is het aandeel meisjes in het wetenschappelijk onderwijs in bèta en techniek met 40 procent gestegen. Ook kiezen meisjes op de middelbare school vaker de natuurprofielen. „Al moet ik toegeven dat dat vooral Natuur & Gezondheid is”. Meisjes, zegt Boots, vormen het „grootste onbenutte potentieel” voor de exacte wetenschappen.

Het Pisa-onderzoek wordt afgenomen op 15-jarige leeftijd. Van Dijk: „Dan hebben we nog een paar jaar om alles te doen om meisjes over te halen op hun 18de alsnog voor een exacte studie te kiezen.”