Tegenstemmen was niet aan de orde

Kamerleden hadden de vernieuwingen in het onderwijs kunnen terugdraaien. Maar ze werden bedrogen en genegeerd, zo zeiden ze gisteren tegen de commissie die dit onderzoekt.

Het is onmogelijk om een staatssecretaris tegen te houden die haar regeerakkoord moet uitvoeren.

Dat bleek gisteren, de dag dat de parlementaire commissie onderwijsvernieuwingen Kamerleden ondervroeg over hun rol bij de invoering van diverse onderwijsvernieuwingen.

Het was ook niet makkelijk om Kamerlid te zijn, in de periode dat de basisvorming, de Tweede Fase, het nieuwe leren en het vmbo werden ingevoerd. Het was soms zó onoverzichtelijk, verzuchtten de Kamerleden.

Neem de invoering van de Tweede Fase met nieuwe vakkenpakketten (profielen) op havo en vwo. Lobbygroepen liepen de Kamerleden plat; elk schoolvak had een lobby, zo vertelde voormalig Kamerlid Sharon Dijksma, thans staatssecretaris van Onderwijs voor de PvdA. Door al die focus op de vakken hadden de Kamerleden, zo gaf Dijksma toe, amper aandacht gehad voor de vraag of scholen de Tweede Fase eigenlijk wel konden uitvoeren. En was het dus misgegaan.

De voormalige Kamerleden Ursie Lambrechts (D’66) en Clemens Cornielje (VVD), hadden daarbij nog een ander probleem: ze voelden zich belazerd door de voormalige staatssecretaris Tineke Netelenbos (PvdA).

Lambrechts bijvoorbeeld, hoorde rond de invoering van de Tweede Fase voortdurend kritiek van leraren en scholen, dat de nieuwe vakkenpakketten veel te zwaar waren voor de leerlingen. En dat scholen nog lang niet klaar waren voor de invoering. Maar Netelenbos bezwoer de Kamer dat alles prima ging.

Lambrechts dacht nog „ben ik nou gek of is de staatssecretaris het”, en liet een eigen enquête uitvoeren. Daaruit bleek dat haar „gut feeling” klopte: scholen waren niet klaar voor de Tweede Fase. Maar Netelenbos „wilde de kritiek niet meer horen”. Lambrechts liet het daarbij.

Clemens Cornielje, voormalig Kamerlid voor de VVD en thans commissaris van de Koningin in Gelderland, vertelde dat kort na een debat in de Kamer over de Tweede Fase, toen bijna alles al was afgesproken, er ineens een kritisch rapport van de Inspectie uitkwam. Daaruit bleek dat op scholen waar geëxperimenteerd werd met de Tweede Fase, minder goede leerlingen afhaakten. Cornielje voelde zich „op het verkeerde been gezet”.

De educatieve uitgeverijen hadden Lambrechts laten weten dat ze hun methodes niet op tijd klaar zouden hebben voor de invoering van de Tweede Fase in 1998. Maar een paar weken later las Netelenbos in de Kamer een brief voor van diezelfde uitgeverijen, dat ze het wél zouden halen. Van de voormalig ambtenaren Roelco Offerein en Ankie Verlaan, die eerder voor de commissie lieten weten Netelenbos te hebben gewaarschuwd voor te overhaaste invoering van zowel vmbo als Tweede Fase, had Lambrechts nooit wat gehoord. Lambrechts voelde zich daarover „alsnog genomen”.

Ze dacht wel eens: wat gebeurt daar, tijdens het overleg met de staatssecretaris? Wat doet ze met al die critici? „Draait ze hen de arm om?” Want na z’n overleg „valt de één na de ander om en zeggen ze ‘het moet maar zo’. Dan heb je als Kamerlid geen instrument meer, dan zijn al je wapens uit handen geslagen.”

Lambrechts had nog een goede tip om dit soort leugens en pushgedrag te vermijden: zet voor grote veranderingsprocessen als de onderwijsvernieuwingen geen aanvangsdatum in het regeerakkoord. „Anders wordt het een prestigekwestie.”

Alle Kamerleden stemden uiteindelijk voor de Tweede Fase. Lambrechts nam genoegen met een jaar uitstel. „Tegenstemmen was niet aan de orde”, zei ze. „Er moest iets gebeuren.” Ze bedoelde: D66 zat in de coalitie, dan stem je niet tegen. „Het ging niet over de vraag moeten we dit wel doen, maar om de vraag ‘wanneer’, en of er genoeg tijd en geld voor was”, zei ook Sharon Dijksma.

Lambrechts had het achteraf anders moeten doen, zei ze. De Kamer had een buitenstaander moeten vragen om de besluitvorming op een rij te zetten. „Niemand overzag het geheel meer.”

Ook raar: dat er niets gedaan werd met goede ideeën van Kamerleden, zoals die van Fenna Vergeer. Zij had geopperd lerarensalarissen niet langer door de scholen te laten betalen, maar door het Rijk.

Dat was sinds 1996 veranderd, toen scholen een grote zak geld kregen, de lump sum, waaruit ze alles moeten betalen. Logisch dat ze dan gaan bezuinigen op lerarensalarissen, zei de voormalige lerares Vergeer. „Leraren werden een kostenpost, waren niet langer menselijk kapitaal.” Logisch dat scholen dan minder leraren voor de klas zetten en kinderen zelfstandiger laten werken, zei Vergeer. Dat was goedkoper. Logisch dat dan het niveau van het onderwijs dan daalt. Daarmee had ze de kern te pakken van vrijwel alle huidige onderwijsproblemen.

Voormalig onderwijsminister Maria van der Hoeven (CDA) vertelde even later waarom Vergeer geen gehoor had gevonden. De lump sum was ingevoerd om scholen „meer autonomie” te geven. „Dan moet je de salarissen daar niet weer uit gaan halen, dan werp je schotten op.”

Wat er dan zo erg is aan die schotten, dat vroeg de commissie niet.

Meer over onderwijsvernieuwing op nrc.nl/onderwijs