Schud nooit de Muze de hand

Er is geen groter genot dan de liefde voor een volleerde en volgroeide vrouw die ook nog eens je jeugdliefde is. Aldus Erik-Jan Provenier, het alter ego van Geerten Meijsing.

Geerten Meijsing: Siciliaanse vespers. Balans, 286 blz. € 18,95

‘De werkelijkheid steekt bleek af bij de schriftuur,’ schrijft Erik-Jan Provenier, het vaste alter ego van Geerten Meijsing, in Siciliaanse vespers. ‘De literatuur is voor mij het filter van de ervaring.’ En dus is het heilloos om in Meijsings nieuwe roman op zoek te gaan naar de feiten achter de fictie, of naar de kleine waarheden in de literaire roddels die de auteur over de lezer uitstort. Meijsing mag dan de auteur zijn van de satire De grachtengordel (1992), Siciliaanse vespers is geen sleutelroman, maar (pure) fictie over passie op leeftijd. ‘Wat ik te vertellen heb is van een diepe schoonheid, een kleine geschiedenis van groot geluk,’ schrijft de nimmer bescheiden ik-figuur. Beauty is truth, truth beauty, zou zijn collega-romanticus John Keats zeggen.

Overigens moeten we dat ‘groot geluk’ van Provenier met een korreltje zout nemen. Siciliaanse vespers, genoemd naar een middeleeuwse slachtpartij, is niet alleen het verhaal van een oudere schrijver die zijn jeugdliefde weervindt, maar ook een tragedie over frustratie en verraad – met in de belangrijkste bijrol een fatale vrouw die niet toevallig door Provenier Wolf is gedoopt. Op driekwart van de roman voelt Provenier zich dan ook het meest verwant met de berenexpert en -liefhebber die in de film Grizzly Man (2005) door zijn eigen studie-object wordt opgevroten. ‘Een intieme verstandhouding tussen mensen en roofdieren is een illusie,’ citeert hij de regisseur van de film.

Wolf houdt van aantrekken en afstoten, van harde seks en ijskoud bedrog, ze is veranderlijk en wisselvallig maar altijd een vrouw. Een ideaal lustobject voor de kwakkelende schrijver, die snakt naar de fontein van de eeuwige jeugd. Aanvankelijk houdt ze Provenier aan het lijntje, maar wanneer ze hem bezoekt in zijn vrijwillige ballingsoord Syracuse, slaat de vonk over. Niet voor lang trouwens, want als het schijnbaar gelukkige paar wegens een dreigend sterfgeval door Italië terug naar Nederland rijdt, beginnen er barstjes in de relatie te komen. En hoewel Provenier zichzelf het ‘Syndroom van Paaltjens’ voorhoudt – ‘de beste liefdes zijn de kortste, hevig maar onvoltrokken’ – kan hij met het uiteindelijk gebleken bedrog van Wolf niet leven.

‘Je kunt naar de Muze beter geen hand uitsteken,’ mijmert Provenier; ‘zij geeft je echt geen hand terug.’ Toch blijft hij het proberen, want in zijn filosofie is genot ‘de enige manier waarop we aan het leven raken.’ En geen groter genot dan de liefde voor een volleerde en volgroeide vrouw die ook nog eens je jeugdliefde is. Al weet hij maar al te goed dat geluk zelden op het heden past; ‘het is meer iets voor het verleden.’

Provenier is dol op sententies, wijze spreuken. Soms zijn die raak of geestig geformuleerd, bijvoorbeeld wanneer hij zegt dat hij ‘à la carte [heeft] geleefd, nooit het menu’, of wanneer hij noteert dat je als schrijver nu eenmaal altijd uitverkoop houdt (‘De schrijverij is een outlet van dure en sjieke merkartikelen: de hartstochten’). Maar ál te vaak wassen ze uit tot Zinloze Zegsels, die literair noch levensbeschouwelijk enige waarde hebben, of gewoon onwaar zijn. Neem de uitspraak: ‘Er zijn drie gevleugelde figuren in de Oudheid: Hypnos, Eros en Thanatos.’ Zelfs als je geen klassieke opleiding hebt gehad, kun je daar in elk geval al Hermes en Pegasus aan toevoegen.

De ik-figuur is een oudehoer, die herhaaldelijk zonder Gods zegen dooremmert. Bovendien bezondigt hij zich aan autofetisjisme (zijn liefde voor de Citroën DS/SM/CX) en aan een kitscherige kijk op bella Italia. Voor dat laatste is genoeg aanleiding, want het derde en grootste deel van Siciliaanse vespers is een road novel die de lezer van Sicilië via Calabrië, Latium, Toscane en de Po-vlakte naar de noordelijke meren voert. Onderwijl wordt er goed gegeten – althans door Provenier, want de enigszins ordinaire Wolf geeft niets om copieuze diners.

Natuurlijk kunnen we Meijsing niet de hebbelijkheden van zijn hoofdpersoon verwijten. Maar diens oeverloosheid maakt het lezen van de roman niet tot een onverdeeld genoegen. Siciliaanse vespers is een onevenwichtig boek, waarin mooie, vlot geschreven passages worden onderbroken door lelijke zinnen, en afgewisseld met kwartjesfilosofieën. ‘We laten heel wat beelden achter in ons leven. Het zijn eenvoudig grote brokken steen of ijs in de morene die we tijdens de afdaling passeren, waarvan we in gedachten alles afhalen wat niet lijkt op het ideaalbeeld dat we bewaren willen.’

De lezer zij hem genadig.