Onhandig

Ik heb lang moeten wachten op een gedicht van Guido Mazzoni. Zijn Italiaanse gedichten kan ik niet lezen en hij had me een Engelse vertaling beloofd. Elke dag zei hij: „Het komt eraan, morgen geef ik het je.” Pas toen ik begon te dreigen dat mijn verwachtingen stegen met de dag, ontving ik een velletje met een prachtig gedicht. Het gaat over een gesprek dat hij niet wenst te voeren en alle complicaties van dien. Hij zet zichzelf neer als een onhandig gesprekspartner, en zijn geaarzel vormt een belangrijk deel van het gedicht. Het ritme stottert en ook de vorm hapert. Ik heb Guido om meer gedichten gevraagd. Maar hij is niet meer gevoelig voor dreigementen.

Guido heeft een portret van zichzelf laten maken door een vriend. Hij heeft me gevraagd te komen kijken. Guido is een jaar of dertig maar op zijn portret lijkt hij wel tachtig. „Je ziet er veel ouder uit dan in het echt”, zeg ik. Guido heeft levendige ogen, maar zijn getekende ogen staan dof. Hij zucht, kijkt naar zijn beeltenis en zegt „een beetje dood”.

Ik spreek het niet tegen.

We zwijgen even, maar dan zegt Guido opgewekt: „Het voordeel van dit portret is dat het een leven lang meegaat. Ik hoef nooit meer een ander portret te laten maken.” Het probleem van het portret is niet alleen dat het niet goed lijkt. De tekening is veel te behendig gemaakt. Maar goed kunnen tekenen levert niet per se een geslaagd kunstwerk op.

Op de open dagen van de Rijksacademie heb ik onlangs werk gezien van Inge Beeftink. Ze heeft een brief aan de muur gehangen waarin ze uitlegt wat ze had willen schilderen. De brief is verspreid over een flink aantal grote vellen die qua formaat doen denken aan schilderijen.

„In het schilderij met het meisje op de bank probeerde ik een meisje te schilderen waarvan het haar heel hoekig over de bank valt. Ik heb ontzettend geworsteld om dat meisje goed te krijgen. Onder het op het schilderij zichtbare meisje bevinden zich nog minstens drie andere meisjes. Het uiteindelijke meisje vind ik een heel vervelend kunstmeisje geworden. Het lukt me niet om een mens te schilderen. Het wordt in alle gevallen een dik smeersel. Alle vorm die ik eraan wil geven, verzandt in eindeloos veel verf op een heel kleine plek, of het wordt een vervelende fantasiekop, om over het lijf nog maar niet te spreken.”

Ze heeft een aantal schilderijen dat ze beschrijft, gefotografeerd en onder de brief tegen de wand geplaatst. Dan zie je dat ze wel erg streng is voor zichzelf. De eisen liegen er niet om: Beeftink probeert bijvoorbeeld twee zwanen te schilderen „die door onoplettendheid in een wiggelroedevormige tak drijven”.

Beeftink heeft alles wat de tekenaar van Guido’s portret niet had. Niets is voor haar zelfsprekend, ze worstelt met elke pennenstreek en denkt over alles na. Geen wonder dat het schilderen haar moeilijk afgaat. Ondertussen schildert ze met woorden. Haar humor en zelfreflectie zijn belangrijker dan schildertechnische behendigheid. Ik kan mijn lachen niet houden wanneer ik lees: „Eerst was het meisje zelf nog aanwezig op de bank toen de boot er al op stond maar toen kwam Jan Roeland op een dag kijken en die vroeg wat dat spook daar op de bank deed. Toen heb ik onmiddellijk korte metten met die meid gemaakt.”

Deze beeldende brief levert een innemend en levendig zelfportret op. Het is te hopen dat Beeftink niet te behendig leert schilderen.