Nachtmerrie

Milano Koenders had een droom. Ooit zou hij spelen in Barcelona, in dat prachtige stadion waar Johan Cruijff had gevoetbald, en Patrick Kluivert en Edgar Davids. Aan zijn twee Surinaamse voorbeelden stond hij zich in de jaren negentig te vergapen bij Ajax. Zo beroemd worden als zij, dat wilde Milano ook wel. Net als Frank Rijkaard en Ruud Gullit vanuit het straatvoetbal in Amsterdam-West opstijgen naar mooie clubs in Zuid-Europa. Milano: zelfs zijn naam lonkte naar San Siro.

Met zijn moeder als trouwe maar strenge begeleider zou hij het gaan maken. Zijn moeder doorzag het voetbalspel, en altijd had ze kritiek. Dat gaf niks, daar werd hij sterk van.

Catalonië raakte een beetje uit het zicht toen Milano merkte dat andere jeugdspelers bij Ajax doordrongen tot de A-selectie, en hij niet. In de stellige hoop dat het allemaal nog goed kwam, vertrok Milano in 2006 naar RKC. In Waalwijk kregen groeibriljantjes eerder kansen zich te bewijzen dan in Amsterdam. En zich bewijzen deed hij. Niet meer als aanvaller, maar als verdediger – een transformatie die velen vóór hem eeuwige roem had bezorgd. Tijdens een van zijn dertig optredens in de eredivisie toonde Milano zich de meerdere van PSV-crack Jefferson Farfan. Zelfs PSV-trainer Ronald Koeman feliciteerde hem ermee, noemde het klasse. „Ik ben overtuigd van mijn kwaliteiten,” verklaarde Milano. „Al ben ik natuurlijk nog geen topverdediger.” ‘Nog’, het was een kwestie van tijd.

Jong Oranje, Olympisch elftal, transfer naar AZ: Milano Koenders hield zijn droom levend. En zo werd hij afgelopen woensdag voor de leeuwen gegooid. In een belangrijke Europese wedstrijd. Aan de voor hem vreemde linkerkant. In een stadion dat nergens leek op Camp Nou. Geen symbool voor vrijheid en warmte, eerder van marcherende Hitlerjugend. Het Frankenstadion in Nürnberg vormde een onheilspellend decor voor een 21-jarige jongen met een hang naar familie en gezelligheid. En zo speelde hij ook, tijdens een invalbeurt als een nachtmerrie, kort en eng.

Overal zag hij roodhemden, geen idee waar ze vandaan kwamen en waar ze naartoe gingen. De kleine Milano bemoeide zich met een kopduel dat hem niet aanging: FC Nürnberg maakte 1-1. Milano holde achter een tegenstander aan, en gaf het op; zijn benen, zwaar van angst en vertwijfeling, kwamen nauwelijks nog vooruit: FC Nürnberg maakte 2-1.

Einde wedstrijd. Verbijsterd keek Milano om zich heen. Wilde iemand hem wakker maken? Zeggen dat het niet was gebeurd? Dat hij niet de oorzaak was van dit verlies?

Teleurgesteld begaven de spelers van AZ zich naar het vak met de meegereisde fans, voor een rituele groet. Niet alle spelers. Ergens op het veld liep een eenzame jongen te zoeken naar een antwoord.