‘Mucro was hier’

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, de muuropschriften in Pompeï

Ik was niet graag helderziende geweest in Pompeï op 24 augustus 79. Want dan had ik tegen mijn stadgenoten moeten zeggen: ‘Jongens, twee dingen. Eerst het slechte nieuws. Vluchten kan niet meer. Straks barst onze berg [spreker wijst op nabijgelegen vulkaan Vesuvius] uit elkaar. Wij zullen in korte tijd bedolven worden onder enorme stromen hete as en puimsteen en zo meer. Niemand zal het kunnen navertellen. Nu het goede nieuws. Onze stad wordt zo wel heel mooi geconserveerd. Over een kleine tweeduizend jaar gaan ze ons opgraven en dan zullen ze een uniek beeld krijgen van hoe wij hier nu de dag doorbrengen.’

Wat een ramp is voor de een, kan een rijke bron van informatie zijn voor de ander. Vincent Hunink spreekt subtiel van ‘een voor ons gelukkig toeval’, als hij vertelt over Pompeï, en meer in het bijzonder over de duizenden muuropschriften die bewaard zijn gebleven. Schrijven op muren en glazen – de Pompeianen deden het graag. Als het regende, bijvoorbeeld. Dan schreven ze ‘PLVI’ op de muur. Als ze iemand de groeten wilden doen: ‘Groeten van Pyrrhicus aan Alcimus’. Of als ze alleen maar een teken van zichzelf wilden achterlaten: ‘MVCRO HIC’, ‘Mucro was hier’. Als ze iets kwijt waren geraakt. Maar ook als ze op een of andere manier hun hart wilden luchten: ‘IMANIS METVLA ES’. Dat is: ‘Een enorme lul ben jij!’ – zonder toelichting. Als ze zich verveelden schreven ze het alfabet op, of fantasiewoorden (‘RETOTATOTOTATO’) of melige adviezen: ‘Zoek je iets om de tijd te doden, / strooi dan gierst uit en verza- / mel die weer.’

Zo loop je in dit boek van het ene opschrift naar het andere, van huis naar huis, van straat naar straat – alsof je door de stad zelf dwaalt. Soms tref je literaire citaten op de muren aan, heel gymnasiaal, alsof ze graag een goede indruk wilden maken op de geïnteresseerde classici van 2.000 jaar later. Hele en halve regels van Ovidius, Horatius en Vergilius. Volgens Hunink had de goede verstaander ook in Pompeï al aan een half woord genoeg: die herkende in de letters ‘CONTI’ de eerste twee lettergrepen van het eerste woord (‘conticuere’) van de eerste regel van het tweede boek van de Aeneis.

En dan zijn er ook nog – de tijden zijn niet echt veranderd – de seksueel getinte muuropschriften. Behalve aan alfabetten noteren en Vergilius citeren deden de Pompeianen ook veel aan kutlikken en lulzuigen, als we hun graffiti mogen geloven. En als ze het zelf niet deden, dan wilden ze hun stadgenoten maar wat graag vertellen wie er wel goed in waren. Zo weten we nu nog steeds dat Severa, Januaria en Valeria de verschillende technieken uitstekend beheersten. Epaphroditus en Onesimus en Stabilio trouwens ook. En nog vele anderen.

Het is de droom van iedere anonieme muurschrijver. Eerst eeuwenlang bewaard, onder de lava, en daarna keurig af- en overgeschreven en geboekstaafd, voorzien van vertaling, CIL-nummer, plaatsaanduiding en wetenschappelijk commentaar. Je loopt met je spuitbus op straat, ziet een kale muur, je schrijft een N en een E en een U – en dan valt de bom. In 3935 vult een geleerde uit een ander land tussen teksthaken alsnog de ontbrekende letters aan.

Bedolven door de Vesuvius. Pompeii in 1000 graffiti. Vert. en ed. Vincent Hunink. Damon, 336 blz. € 24,90.