Menseneter & Zn.

Journalist Ischa Meijer had een beroerde relatie met zijn vader. Wie was die vader en hoe kon het zo ver komen? Evelien Gans sprak ooggetuigen en schreef een epos dat een plaats verdient naast Pressers ‘Ondergang’.

Evelien Gans: Jaap en Ischa Meijer. Een joodse geschiedenis. 1912-1956. Bert Bakker, 709 blz. € 39,–

Met recht luidt de ondertitel van de dubbelbiografie van Evelien Gans over vader en zoon Jaap en Ischa Meijer, beiden eind vorige eeuw overleden, ‘een joodse geschiedenis’. Alle facetten van het Nederlandse jodendom in de 20ste eeuw komen aan bod in deze rijk gedocumenteerde en meeslepend geschreven studie. Hoewel de schrijfster haar focus voortdurend gericht houdt op vader en zoon Meijer, boekstaaft zij onderwijl de lotgevallen van hen die de Holocaust niet overleefden of na de oorlog geconfronteerd werden met antisemitisme dan wel onverschilligheid.

Dit rechtvaardigt ook de omvang van het boek. Het nu verschenen eerste deel beslaat al ruim zevenhonderd pagina’s, geen pagina te veel, ook al schrijft Gans bijna verontschuldigend in haar proloog: ‘Jaap noch Ischa Meijer heeft de wereld versteld doen staan. Dit is niet het verhaal van twee „grote”, wel van twee „ongewone”, nogal schelmachtige mannen.’ Haar hoofdpersonen waren niet alleen bijzondere, soms zelfs extreme karakters, zij hebben beiden ‘een bijzonder noodlottige fase in de joodse geschiedenis aan den lijve ondervonden’.

Het is een groot verschil of je algemene studies over de jodenvervolging leest of een verhaal als dat van Evelien Gans, die als het ware meereist op het transport dat de familie Meijer van Westerbork naar Bergen-Belsen voerde, baby Ischa in een reistas op schoot. Talrijke ooggetuigen die met de Meijers het kamp overleefden komen aan het woord en de vele witte plekken die altijd voor iedere biograaf blijven bestaan, vulde ze in met behulp van een indrukwekkende hoeveelheid literatuur. Van eminent belang is ook dat Gans voor de naoorlogse periode, waarin het getraumatiseerde gezin Meijer onherstelbaar desintegreerde, kon steunen op de herinneringen van Ischa’s in 1946 geboren zuster Mirjam Chorus-Meijer .

Uit het werk van schrijver en journalist Ischa Meijer (1943-1995) was bekend dat de relatie tussen vader en zoon belabberd en uiteindelijk non-existent was. Toen Ischa, twee jaar na zijn ouders, op zijn 52ste verjaardag overleed, konden we – ondanks zijn openhartige columns – alleen nog maar gissen naar de oorzaken van de breuk. In deel 1 van Evelien Gans’ dubbelbiografie, die eindigt met Ischa’s bar mitswa in februari 1956, worden vele tipjes van de sluier opgelicht. Jaap Meijer (1912-1993) is dan juist overspannen teruggekeerd van een tweejarig verblijf in Suriname. Zijn echtgenote Liesje Voet, en haar drie kinderen Ischa, Mirjam en Job waren hem vooruit gereisd, omdat de oudste naar het gymnasium in Nederland moest en Liesje, verstrikt in een liefdesaffaire met een militair, slecht tegen de tropen kon.

Waarom de veelbelovende historicus Jaap Meijer, aan het begin van de Bezetting gepromoveerd bij Jan Romein op een proefschrift over Da Costa, in 1953 hals over kop uitweek naar Suriname om daar leraar te worden, was voor velen een raadsel. Als hij dan zonodig weg moest uit angst voor de Koude Oorlog, waarom dan, als zionist, niet naar Israël uitgeweken?

Gans komt er niet helemaal achter, maar laat zien dat de door zijn oorlogservaringen zwaar beschadigde Meijer nu eenmaal altijd op de vlucht was. In Nederland kon hij ondanks zijn vaste baan als leraar en zijn gewaardeerde inspanningen voor de joodse wetenschap zijn draai niet vinden. Een ruziezoeker. Waar hij zich vertoonde raakte hij verzeild in conflicten, belangrijke opdrachten zoals het schrijven van de geschiedenis van de gedeporteerde Nederlandse joden (later volbracht door Jacques Presser in Ondergang) liep hij door eigen schuld mis en bovendien werd hij beschuldigd van het ontvreemden van kostbare boeken en handschriften uit de bibliotheek van de Portugese Synagoge. Het lijkt erop dat hij door de joodse gemeenschap min of meer was uitgekotst.

Ook in Suriname maakte de overambitieuze joodse purist zich niet geliefd. Binnen een mum van tijd wist hij alle intellectuelen in Paramaribo om zich heen te verzamelen om hen even snel weer van zich te vervreemden. Vol trots schreef hij zijn Amsterdamse vriend Jacques Presser over zijn contacten met Lou Lichtveld, alias de schrijver Albert Helman, met wie hij een tijdschrift wilde opzetten. Tegelijkertijd publiceerde diezelfde Helman in Het Parool een artikel waarin hij Jaap afschilderde als een opportunistische en zelfgenoegzame schlemiel, die zich, hoewel zionist, na alle ellende van de jodenvervolging niet in Palestina had gevestigd. Uit ‘zekerheid voor de toekomst’ had hij het ‘veiliger gevonden ergens in de

Vervolg op pagina 2

JAAP MEIJER: DE LOTGEVALLEN VAN EEN MENSENETER

Vervolg van pagina 1

West een baantje aan te nemen dat ver beneden zijn intellectuele maat lag.’

Gezien de koortsachtige ijver waarmee hij in Paramaribo les gaf (zowel op diverse scholen als privé en in de synagoge), onderzoek verrichte en publiceerde was de veertiger Jaap Meijer kennelijk niet zo zeker van die toekomst. Hij werkte tot hij erbij neerviel, steeds nieuwe projecten aanpakkend. Intussen verwaarloosde hij zijn gezin. De puberende zoon Ischa – volgens een ooggetuige een zielig ‘jodenjongetje’ met een door een hersenontsteking scheefgetrokken gezicht – werd regelmatig door zijn vader geslagen.

Zaten de tomeloze eerzucht, de megalomane geldingsdrang, de verongelijktheid in het karakter van de in Winschoten geboren Jacob Meijer of waren het eigenschappen die de boventoon zijn gaan voeren als gevolg van zijn dramatisch verlopen leven?

Dat deze zoon van een vrome joodse marskramer en een dienstbode buitengewoon talentvol was, bleek al op de lagere school, waar hij op zijn tiende uit de klas gehaald werd omdat zijn vader was overleden. Op kosten van de joodse gemeenschap vertrok hij als dertienjarige naar Amsterdam om aan het Nederlands Israëlitisch Seminarium een opleiding tot godsdienstonderwijzer te volgen. Hij heeft zijn afkomst nooit verloochend, zoals blijkt uit zijn in Gronings dialect geschreven gedichten over zijn jeugd die hij publiceerde onder het pseudoniem Saul van Messel en waar Gans rijkelijk uit citeert. Maar in Amsterdam was hij met zijn Groningse accent een ‘buitenpoep’ of een ‘medienesjtamper’, een eenzame jongen die op onverwarmde kamertjes in de jodenbuurt woonde en voor zijn avondeten was aangewezen op elke dag een ander gastgezin. Jaap Meijer was een zogenaamde ‘Täg-esser’, een ‘menseneter’ zoals hij het zelf noemde. Hoezeer het systeem van hand ophouden bij vreemden het zelfbeeld van de arme joodse student aantastte heeft hij nog op zijn tachtigste beschreven in Het Traject van een Täg-esser.

In weer een totaal ander milieu kwam de vrome ‘buitenpoep’ terecht toen hij na zijn opleiding aan het seminarium geschiedenis ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam, in aanraking kwam met het zionisme en zijn toekomstige echtgenote Liesje ontmoette. Zij was de dochter van de sociaaldemocraat Ies Voet, voorman van de diamantbewerkersbond ANDB en als zodanig behorend tot de joodse arbeidersaristocratie. Liesjes lievelingsbroer, een jonge arts, sneuvelde in de Spaanse Burgeroorlog waar hij als vrijwilliger tegen Franco streed. In dit rode gezin werd de ‘halve rabbijn’ Meijer niet van harte verwelkomd als aanstaande van de mooie Liesje, die het Vossius Gymnasium had doorlopen en als personeelsmedewerkster bij De Bijenkorf werkte.

Ze trouwden op 20 juni 1940 in bezet Amsterdam, waar Jaap aan het Joods Lyceum aan onder anderen Anne Frank les gaf en ondertussen zijn bakkersdiploma haalde. Naar eigen zeggen heeft het bakkersvak hem in Bergen-Belsen het leven gered, omdat hij in de keuken kon werken. Waarom hebben Liesje en hij na enkele mislukte vluchtpogingen niet geprobeerd onder te duiken? Dat is niet opgehelderd, al draagt Gans plausibele verklaringen aan, zoals Jaaps weerzin tegen afhankelijkheid en het vooruitzicht voortdurend in angst te moeten leven.

Toen in februari 1943 hun zoon Ischa, voluit Israël Chajjiem (‘Israel leeft’), ter wereld kwam waren de deportaties in volle gang. Ischa’s oma van vaders kant was op dat moment al drie maanden dood: vergast in Sobibor. Jaap en Liesje werden met hun drie maanden oude baby en diens opa in juni naar Westerbork gevoerd, vanwaar Ies Voet op 6 juli op transport ging naar Sobibor. Op 9 november 1943 is ook hij daar vergast.

De beschrijving van het verblijf van de Meijers in Westerbork snoert je de keel: een catalogus van de angsten om te worden aangewezen voor het volgende transport, de opluchting als dat niet zo bleek te zijn, de zelfmoorden van hen die de spanning niet meer aankonden, maar ook het blije weerzien met oude bekenden die er ‘nog waren’, de vitaliteit, de seksuele uitspattingen, het leven dat doorging, op zijn minst tot het volgende transport. Op 15 februari, een dag na Ischa’s eerste verjaardag, waren de Meijers aan de beurt voor Bergen-Belsen.

Ze hebben het overleefd, maar vraag niet hoe. ‘Creperen in een Vorzugslager’, heet het aangrijpende hoofdstuk dat Evelien Gans aan dat helse jaar daar wijdt en waarin ze opnieuw vele ooggetuigen aan het woord laat. Indringend maar zonder pathos noteert Gans de gruwelen: honger, vlektyfus, stinkende lijken, vernederingen, verkrachtingen, onderling verraad tot aan kannibalisme toe. En daardoorheen geweven voortdurend de overlijdensdata van mensen die we het hele boek door, vanaf Winschoten en het Amsterdamse Seminarium, op de voet hebben gevolgd: familieleden, vrienden, lotgenoten van Jaap, Liesje en Ischa. Gans komt de verschrikkelijke dagelijkse werkelijkheid van het kamp nabij. Moeiteloos verbindt zij intussen Meijers intellectuele ontwikkeling, zijn afkeer van de joodse emancipatie en assimilatie, zijn kritiek op en medewerking aan de Joodse Raad en zijn niet aflatende interesse voor de joodse geschiedenis met zijn overlevingsdrift.

Na de oorlog, met een zwaar aangeslagen vrouw in een arbeiderswoning in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, houdt zijn levensdrift hem op de been, maar ten koste van wat? De tweejarige peuter Ischa die Duitse bevelen schreeuwend uit het raam staart, wordt straal genegeerd. Voor zijn later geboren dochter Mirjam en zoon Job toont hij nauwelijks belangstelling en zijn verweesde, overspelige echtgenote laat hij aan haar lot over. Verhuizingen, eerst naar het Victorieplein in Amsterdam-Zuid en vervolgens naar Paramaribo bieden slechts tijdelijk soelaas.

Aan het einde van het eerste deel van dit magnifieke epos, dat een plaats verdient naast Pressers Ondergang, is Jaap Meijer een gebroken man. De zoon, een gedrilde joodse jongen, staat dan aan het begin van zijn volwassen leven. Een leven dat alleen te begrijpen valt in het licht van de hier even meedogenloos als liefdevol beschreven Werdegang van de vader.

Rectificatie / Gerectificeerd

Charlotte Salomon

De tekening van Charlotte Salomon (7 december, Boeken, omslag) bevindt zich in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Het copyright rust bij de Stichting Charlotte Salomon .