Koop eens een tank in het buitenland

EU-landen moeten vaker defensiematerieel in andere lidstaten kopen, vindt Brussel.

Nederland juicht de plannen toe, maar is sceptisch over de uitvoering.

De handel in tanks, wapensystemen en munitie tussen lidstaten van de EU moet toenemen. De Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, vindt dat lidstaten veel te vaak hun eigen industrie de voorkeur geven bij aanbestedingen van defensiematerieel.

De Europese markt voor defensiegoederen is geen open markt, bevestigt Rob van Dort van de branchevereniging Stichting Nederlandse Industriële Inschakeling Defensieopdrachten (NIID). „Vooral grote landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland schermen hun opdrachten vaak af voor buitenlandse bedrijven.”

EU-lidstaten kunnen nu hun defensieaankopen buiten de regels van de interne markt om doen door zich te beroepen op een Europees verdragsartikel, dat gaat over het veiligstellen van nationale belangen. Maar volgens de Europese Commissie maken veel lidstaten bij bijna al hun defensieaanbestedingen gebruik van het bewuste verdragsartikel. Eurocommissaris Verheugen (Industrie) zei woensdag dat „concurrentie nodig is voor de levensvatbaarheid van de Europese defensie-industrie”.

De voorgestelde Europese regels, die nog door de lidstaten worden besproken, zullen moeten verduidelijken wanneer de uitzonderingspositie écht geldt. „Maar de vraag is hoe de regels in de praktijk gaan werken, want uitzonderingen blijven mogelijk”, zegt Van Dort.

Nederland verwacht volgens een woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken te profiteren van de voorgestelde liberalisatie van de Europese markt voor defensiegoederen. Volgens Van Dort komt dat doordat Nederlandse bedrijven in het eigen land al moeten concurreren met buitenlandse aanbieders. De Nederlandse overheid geeft in veel mindere mate de voorkeur aan de eigen industrie. Daarom zou de Nederlandse defensie-industrie ook in het buitenland mee kunnen doen. „Bovendien zijn de banden tussen het ministerie van Defensie en de industrie minder hecht dan in andere landen.”

Pieter Koenders van Imtech, dat elektrische installaties en automatiseringssystemen voor schepen bouwt, juicht het plan inderdaad toe. „Imtech is een concurrerend bedrijf, maar wij kunnen onze producten heel, heel moeilijk in het buitenland kwijt.” Ook Erick Vink van Stork Aerospace (technisch geavanceerde vliegtuigonderdelen) merkt dat. „De Nederlandse overheid is bij bijna al onze defensieopdrachten betrokken. Dat zegt volgens mij voldoende.”

Omdat de markt voor defensiegoederen niet open is, hanteert de Nederlandse overheid een compensatiesysteem. Dat houdt in dat bedrijven die een order van meer dan 5 miljoen euro krijgen, het Nederlandse bedrijfsleven daar bij moeten betrekken. Van Dort: „Maar de regeling geldt alleen als Nederland een beroep doet op de uitzonderingspositie, bijvoorbeeld om garantie van levering te krijgen. Als dat straks in Europees verband minder kan, is het maar de vraag of de bedrijven voor eenzelfde bedrag orders zullen ontvangen.” De Nederlandse industrie, die vrij klein is en vooral technisch hoogwaardige producten maakt, ontvangt zo’n 350 miljoen euro aan compensatieorders.

Vink van Stork zegt dat de plannen van de Europese Commissie een stap op weg zijn naar één Europese defensiemarkt, maar dat hij dat in de nabije toekomst nog niet ziet gebeuren. Jaap Wils, die in 2004 de Nederlandse defensie-industrie onderzocht, heeft dezelfde mening: „Op defensiegebied spelen behalve economisch gewin ook nationale sentimenten en strategische belangen. Landen zullen die niet zomaar opgeven.”