Juba na de oorlog: een plastic stad

De hoofdstad Juba van Zuid-Soedan boomt sinds er vrede is met het noorden.

Buitenlanders profiteren. De lokale bevolking ziet vooral de prijzen stijgen.

Dikke zandwolken hangen boven Juba. Twee jaar na de ondertekening van het Allesomvattende Vredesverdrag (CPA) heeft de Zuid-Soedanese hoofdstad nog steeds geen asfaltweg. Door het stof verschijnen wel voorzichtig de contouren van een echte stad. Een Chinees bedrijf stampte in zes maanden een plastic paleis uit de grond, met de geluidsdichtheid van karton, tapijten en dekens uit China en met Keniaans personeel in Chinees kostuum.

Het is het eerste grote hotel van de stad. Juba bestond tot twee jaar geleden uit niet meer dan een verzameling modderwoningen met strodaken omringd door een handjevol gebouwen van cement voor de overheid en Noord-Soedanese handelaren. Het voedsel voor de belegerde garnizoensstad kwam door de lucht uit het noordelijke Khartoum. Nu zetelen de vroegere strijders van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) in gerenoveerde regeringsgebouwen en de positie van noordelijke handelaren is overgenomen door een vloed immigranten uit Kenia, Oeganda, Ethiopië en Eritrea. Ook streken er duizenden medewerkers van de Verenigde Naties neer om te letten op de vrede. Er ontstond een ruwe ordeloosheid met twee parallelle economieën. „Het is een doldwaze toestand”, vertelt Henrik Tobieson, de Deense eigenaar van een tentenkamp voor buitenlanders. „Het ene ministerie weet niet wat het andere doet, er bestaan geen regels.”

In Juba woedt een wildwest kapitalisme. Bij iedere oogopslag lijken er nieuwe gebouwen bij te komen, de meeste van geprefabriceerd materiaal. Tot aan de eens verafgelegen Berg van de Heksen ligt de savanne bezaaid met gebouwtjes. Iedereen doet maar wat. „Juba is een boomtown in de zin dat het een chaos is”, zegt David Gressley, hoofd van de VN voor Zuid-Soedan. „Verschillende maffia’s proberen de economie te controleren.”

Zuid-Soedan is vermoedelijk het minst ontwikkelde gebied van Afrika. De oorlog van de niet-islamitische, zwarte zuiderlingen tegen het gearabiseerde noorden begon in 1955 en duurde, met een pauze van 1973 tot 1983, tot twee jaar geleden. Er is nauwelijks infrastructuur, de paar gebouwtjes en wegen van weleer zijn kapotgeschoten of gebombardeerd en er liggen nog steeds landmijnen. Hoewel het SPLA tijdens de oorlog grote gebieden controleerde, deed de guerrillabeweging weinig aan civiele opbouw. De meeste Zuid-Soedanezen kennen geen ziekenhuizen en achtereenvolgende generaties gingen nooit naar school.

De Zuid-Soedanezen betalen nu een hoge prijs voor de oorlog. Kinderen gaan onder bomen naar school, zieken zoeken soelaas bij medicijnmannen, bestuurders missen ervaring. „Aan alles is gebrek, ook aan cijfers”, zegt parlementslid en econoom Henry Omai Akolawin. „Maar we gaan ervan uit dat 90 procent van de Zuid-Soedanezen onder de armoedegrens leeft. We hebben geen flauw idee over inflatie, de regering weet niet eens hoe groot haar maandelijkse inkomsten zijn. In een dergelijk klimaat kun je geen plannen maken voor de bevolking en daarom zijn het vooral de buurlanden die profiteren.”

Bij een gebrek aan opgeleide mensen en een ondernemingsgezinde bevolking vulden bewoners van buurlanden het vacuüm. Zuid-Soedan produceert niets. Op een markt van de stad liggen ananassen, tomaten, uien, golfplaten daken, sigaretten, verf, bier, cement. Alles komt uit Oeganda, zelfs de commerciële sekswerkers. De jonge vrouw Karin verkocht in Oeganda uit Syrië geïmporteerde bruidskaarten, nu is ze de succesvolle eigenares van een markstal met ijzerwaren. „Wij Oegandezen zijn met onze waren naar Juba getrokken om snel veel geld te verdienen”, zegt ze, „want Zuid-Soedan heeft geen fabrieken”. Het succes wekt afgunst; buitenlandse marktvrouwen zijn afgeranseld en verkracht door SPLA-soldaten en drie maanden geleden werden honderden Oegandezen en Kenianen gearresteerd.

Patrick Mutua is assistent-manager van het vorig jaar geopende kantoor van de Kenya Commercial Bank. „Mensen bewaren hun geld hier in een sok”, zegt hij. „Wij richten onze activiteit op hulpverleners en VN-medewerkers. De economie wordt aangeblazen door buitenlanders.” Een leger hulpwerkers en cowboykapitalisten hobbelt over de geërodeerde wegen naar nieuwe (Chinese) restaurants en pizzeria’s met geïmporteerd voedsel op het menu. De Zuid-Soedanezen ervaren nauwelijks voordelen van de hoogconjunctuur en betalen steeds hogere prijzen. Handelaren kunnen vragen wat ze willen.

„Twee jaar is onvoldoende om een nieuw land op te bouwen”, verontschuldigt professor Barri Wanji zich. Hij is hoofd van het economisch comité van het parlement. „We moeten ons eigen voedsel gaan verbouwen en wegen aanleggen om de producten naar de markt te krijgen. Kenia en Oeganda gaven steun aan onze bevrijdingsstrijd en we kunnen hun handelaren nu niet het land uitgooien. We moeten een politieke schuld aflossen. Terwijl we een staat opzetten proberen we in dit wilde westen de dieven te beteugelen.”

Roofvogels zijn er overal in het smerige Juba. Er zitten dieven in het regeringsapparaat: alle werknemers van het Ministerie van Financiën werden onlangs ontslagen wegens corruptie. De grootste kritiek van zuidelijke politici geldt de Noord-Soedanese regering die volgens de CPA de helft van de olie-inkomsten aan het zuiden moet afstaan. „Ze bedriegen ons. We kregen vorig jaar 1,3 miljard dollar aan oliegelden uit het noorden, volgens ons had dat 2,5 miljard moeten zijn.”

Westerse diplomaten weten het niet. Ze vermoeden dat het noorden zich min of meer houdt aan de afgesproken verdeelsleutel, maar ze erkennen dat de enige productiecijfers van het noordelijke ministerie van Energie afkomstig zijn. Een nog grotere teleurstelling uiten zuidelijke politici over de in 2005 door donorlanden beloofde 4,5 miljard dollar voor heropbouw. „We kregen nog geen cent”, klaagt professor Wanji. Diplomaten ontkennen dit en zeggen dat het toegezegde bedrag ook voor Noord-Soedan is bestemd en dat een aanzienlijk deel naar humanitaire hulp voor Darfur is gegaan.

De stofwolken in het rap veranderende Juba zijn nog lang niet neergestreken. Kapitalistische cowboys zullen de economie nog wel een tijdje domineren. Goed opgeleide Zuid-Soedanezen in Europa en Amerika laten het wegens de slechte sociale voorzieningen afweten. En het zuiden staat behalve de politieke problemen met de CPA ook nog een volksverhuizing te wachten: door de oorlog raakten vier miljoen mensen op drift, van wie pas een half miljoen uit de buurlanden is teruggekeerd en één miljoen uit Noord-Soedan. Wilde dieren reageren spontaner op het zwijgen van de wapens: afgelopen maanden keerden volgens de autoriteiten 7.000 olifanten terug, 1.500 giraffen en 500 spiesbokken. Uit Oeganda.