Ik kijk wel uit met ik overdrijf hoe

De Zwitserse cartoonist Patrick Chapatte overdrijft en ridiculiseert veel en graag. „Ik vind het alleen goedkoop om over de rug van andermans geloof te bewijzen hoe ‘vrij’ je wel niet bent.”

Klachten. Klachten.” Patrick Chappatte herhaalt het woord peinzend een paar keer. Hij zet koffie in het keukentje naast zijn atelier, in een oud huis boven een studentencafé in Genève. Hij breekt een reep in stukken. „Nee”, zegt hij ten slotte, „Mensen klagen zelden over mijn werk.”

Dat is bijna niet te geloven. Chappatte is een van de bekendste cartoonisten ter wereld. Hij tekent spotprenten voor de International Herald Tribune (twee keer per week) en twee Zwitserse kwaliteitskranten, de Neue Zürcher Zeitung (één keer) en Le Temps (drie keer). Andere kranten, waaronder NRC Handelsblad, nemen ze geregeld over. Dankzij verspreiding via het internet krijgen ook veel mensen die geen kranten lezen, ze onder ogen.

Chappatte (1967) overdrijft, ridiculiseert, drijft dingen op de spits. Mensen met hun zwakheden confronteren is zijn werk. Hij noemt dat „goed voor gezondheid van de samenleving”. Islamitische radicalen, folteraars van de CIA, huurlingen in Irak, de Amerikaanse regering, leiders van Europees extreem-rechts: Chappatte neemt allen op de korrel. Collega’s moeten soms onderduiken – zoals de makers van de Deense Mohammed-cartoons in 2006, die een rel veroorzaakten die tientallen mensen het leven kostte en de verstandhouding tussen westerse en islamitische landen nog altijd bemoeilijkt. Andere cartoonisten krijgen van redacties te horen dat ze de islam moeten aanpakken en van de regering-Bush moeten afblijven, of omgekeerd.

„Sommige kranten”, vertelt Chappatte, een opmerkelijk bedaarde man met pretlichtjes in zijn ogen, „hebben hun vaste cartoonist ontslagen om confrontaties te voorkomen. Door alleen nog werk te publiceren van freelancers, zoeken ze uit wat ze bevalt. Iemand als KAL freelancet tegenwoordig bij The Economist en de Baltimore Sun. Ook de cartoonist Oliphant, die ik erg bewonder, klaagt dat zijn opdrachtgevers vooral apolitieke prenten willen. Als Oliphant vraagt waarom, zeggen ze: ‘Och, mensen geven niet meer om politiek.’”

Als anderen klagen dat

ze minder vrij worden in hun onderwerpkeuze, hoe komt het dan dat Chappatte er geen last van heeft? „Ik werk voor goede kranten”, zegt hij zonder aarzelen. „Ik ben de gelukkigste man van de wereld. Bij de Herald Tribune houden ze ervan om op één pagina een pleidooi voor de Irak-oorlog van de regering-Bush te plaatsen naast een cartoon van mij waarop je Bush poppetjes ziet knippen van internationale verdragen. Ook Le Temps en de NZZ zetten meningen naast elkaar en hopen dat er debat komt. Weinig kranten doen dat nog.”

Chappatte maakt soms keiharde prenten, maar de invalshoek is vaak onverwacht. Zo was er laatst ophef over kinderspeelgoed dat in goedkope Chinese fabrieken was gemaakt: het voldeed niet aan westerse veiligheidsnormen en werd uit de winkels gehaald. Later bleek dat dit in sommige gevallen onterecht was gebeurd. Met zo’n onderwerp, zegt Chappatte, moet je als cartoonist uitkijken. „Als je niet oppast, speel je mensen in de kaart die bang zijn voor China en met hetzes bezig zijn. Of hun opponenten.” Hij wil zich niet door extremisten laten meeslepen. Dus tekende hij twee kinderen die een speelgoedwinkel binnenstappen en zelf vragen om „een van die geweldige killer toys uit China”.

Die mix van ernst en onschuld is het handelsmerk van Chappatte. Zijn cartoons zijn daardoor absurd en volstrekt logisch tegelijk. Zo tekende hij laatst iemand op een kruk in een fastfood-restaurant naast een poster van een hamburger: van achteren gezien hebben ze dezelfde vorm, met uitpuilend vlees in het midden. Ook ‘De Toekomst gezien door een Afghaanse vrouw’ uit 2001 is sterk in zijn eenvoud: een zwarte pagina met een kijkstrookje waardoor je rokende puinhopen ziet. Op een andere cartoon zie je een braaf Zwitsers echtpaar met een nieuwe koekoeksklok aan de muur. Opeens springt het vogeltje eruit en roept ‘koekoek!’ in het Chinees.

Cartoonisten moeten overdrijven. „Maar dat”, zegt Chappatte, „wordt steeds moeilijker. Mensen zélf overdrijven steeds meer. Pseudo-ideologieën razen rond. Iedereen ergert zich aan iedereen. Mensen zijn geobsedeerd door religie, vogelgriep, terrorisme. De werkelijkheid is zo gek dat wij het niet meer kunnen bedenken. Daarom moet je als cartoonist uitkijken met hoe je overdrijft.” Zo tekende hij in juli 2006, toen Israël Beiroet bombardeerde, een man in de puinhopen met een telefoon in de hand. Uit de hoorn schettert het antwoordapparaat: „Thank you for calling the international community. We’re on vacation until…”

Die neiging om een andere invalshoek te zoeken dan de gangbare heeft wellicht met Chappattes achtergrond te maken. Hij werd geboren in Karachi, waar zijn Zwitserse vader namens horlogefabrikanten Pakistaanse winkeliers leerde hoe ze reparaties moesten doen. Zijn moeder is Libanese. Toen Chappatte twee was, verhuisden ze naar Singapore. Vanaf zijn zesde woont hij in Genève, een stad die voor veertig procent uit buitenlanders bestaat. Midden jaren negentig zat hij met zijn huidige vrouw, een „oer-Zwitserse”, een paar jaar in New York. „Zwitsers,” grinnikt Chappatte, „ontvluchten hun land graag. Dat geeft ze ruggengraat.”

Familie en vrienden in meerdere culturen

, zegt hij, maken dat je kritisch leert kijken en andermans gevoeligheden kent. „Iemand beledigen is soms onvermijdelijk. Maar je moet het altijd uit kunnen leggen. Beledigen om te beledigen is grof, ongepast. Als je iemand in zijn hemd kunt zetten zónder hem te beledigen, moet je dat doen. Zeker nu. Mensen vliegen om het minste of geringste in de gordijnen. Het doel van een cartoon is niet beledigen, maar mensen een spiegel voorhouden. Ze laten lachen.”

Hoeveel de vrijheid van meningsuiting Chappatte ook waard is, hij was geen fan van de Deense Mohammed-cartoons. „Mohammed werd afgebeeld omdat het voor moslims verboden is hem af te beelden. Daar mag je best de spot mee drijven. Ik vind het alleen goedkoop om over de rug van andermans geloof te bewijzen hoe ‘vrij’ je wel niet bent. Het is flauw om te zeggen: ‘In jullie cultuur is dit taboe, en kijk eens hoe vrij ik ben om dat taboe te doorbreken!’” In de furieuze debatten die volgden, vindt Chappatte, hebben beide kanten de cartoons misbruikt.

Zelf heeft hij Mohammed ook afgebeeld. Zo werd er een paar jaar geleden in Genève een vredesplan van Zwitsers, Israëliërs en Palestijnen bedacht, dat mooi leek maar nooit enige impact heeft gehad. Chappatte nam een bekend Geneefs standbeeld als voorbeeld. Calvijn bleef Calvijn (als Zwitsers symbool), maar de andere twee predikers kregen het hoofd van Mozes en Mohammed. Deze cartoon stond op de voorpagina van Le Temps. Er kraaide geen haan naar.

Chappatte begon te tekenen toen hij acht was. Als scholier stuurde hij cartoons naar kranten. Sinds zijn 21ste werkt hij als cartoonist. In New York maakte hij illustraties voor de boekenbijlage van de New York Times, maar het „opinieloze” ervan frustreerde hem. Het opiniërende werk dat hij nu doet, maakt wel dat hij constant iets slims en origineels moet verzinnen. ’s Ochtends komt hij zijn atelier binnen en zet de radio aan – liefst programma’s als ‘Morning edition’ of ‘Talk of the Nation’ op National Public Radio. Die gaan diep op één onderwerp in.

De krant voor wie hij die dag moet leveren, krijgt zes ruwe schetsen van hem. Die komen later met commentaar retour. „Ik kies de definitieve cartoon”, zegt Chappatte beslist. Die werkt hij dan uit. Alleen voor de IHT maakt hij soms een uitzondering: omdat Engels zijn moedertaal niet is, komen de bijschriften soms niet over. Dus als zij een cartoon niet leuk vinden, schrijft hij hem af. Eén keer sneuvelde zo een schets van de Amerikaanse vice-president Dick Cheney die iemand aan het folteren is. Dezelfde krant publiceerde wel een cartoon van Cheney die de krantenkop ‘Cheney shoots fellow hunter’ leest. Achter hem, aan de muur, hangen jachttrofeeën: een geweer, een eendekop, een patrijs en een mannenbeen.

Vlak voordat Chappatte de zoveelste Musharraf van deze maand gaat tekenen, herinnert hij zich ineens een klacht over een cartoon. „Ik heb Boutros Ghali, de voorganger van Kofi Annan als VN-baas, eens getekend in een vierluik over het falen van VN-peacekeepers in Afrika. Zijn woordvoerster schreef een boze brief naar de krant waar ik toen voor werkte.”

Maar later belde dezelfde woordvoerster Chappatte op: Boutros Ghali wilde de cartoon hebben. „Of ik een flinke rekening voor hem heb gemaakt? Nee, haha. Ik heb hem geld naar een goed doel in Burundi laten sturen.”

Cartoons van Chappatte zijn te bekijken op www.globecartoon.comCartoons uit de International Herald Tribune, gebundeld in ‘Globalized’ (2005-2007), verkrijgbaar via www.nytstore.com/globalized