‘Ik heb een factor van 25’

Het Rotterdamse schilderscollectief Antistrot aan het werk zien is een belevenis op zich. Zes mannen aan een tafel, die tegelijk een vel papier of een doek vol tekenen. Het ellebogenwerk levert steeds een kolkende mix van stripachtige beelden op vol stoere kerels en blote vrouwen en titels als Lijken praten niet of Je homofiele broertje.

Dezelfde dwarsheid sprak twee jaar geleden ook uit de prijslijst van hun eerste tentoonstelling bij MK Gallery in Rotterdam. Hoewel allemaal even groot, waren de tekeningen op de expositie uiteenlopend geprijsd. Het goedkoopst waren de tekeningen met het predicaat C: 300 euro. De B-categorie had een vraagprijs van 450 euro, A-werken kostten 750 euro en dan was er nog een tekening A+ van 850 euro.

David Elshout van Antistrot: „Als collectief waren we toen nog erg in ontwikkeling. De kwaliteit van onze tekeningen varieerde nogal. Daarom zagen we af van eenheidsprijzen.”

Ron Lang van galerie Metis in Amsterdam moet daar om lachen: „Soms zeggen kunstenaars: ‘Dit is een sleutelwerk in mijn oeuvre. Daar wil ik meer voor hebben.’ Daar begin ik niet aan. Verzamelaars hebben met zulke overwegingen niks te maken.”

Tot zeven jaar geleden prijsde Lang zijn handelswaar met de natte vinger. Daarin kwam verandering door een ontmoeting met de Duitse kunstenaar Norbert Schwontkowski. De galeriehouder wilde een tentoonstelling maken van zijn schilderijen en informeerde naar zijn prijzen. „Ich habe einen Faktor von fünfundzwanzig”, antwoordde Schwontkowski.

Lang had geen idee waar de schilder het over had. Schwontkowski wijdde hem daarna in over de geheimen van een prijsformule die door veel galeriehouders wordt gehanteerd: lengte + breedte × factor = de verkoopprijs. Lang: „Een schilderij van van 60 bij 40 centimeter met een factor van 25 levert dus een verkoopprijs van 2.500 euro op.”

Voor Lang is de ‘factor’ nu heilig. Hij noemt de rekenmethode chic, rechtvaardig en flexibel. „Een vierkante-centimeterprijs is meer iets voor de bouwmarkt. De factor is wiskundig elegant: grote werken zijn relatief goedkoper dan kleine.” Enige nadeel, zegt Lang, is dat de factor alleen van toepassing is op tweedimensionale werken. Voor beelden, installaties en dvd’s moet de galeriehouder terugvallen op zijn intuïtie. Jammer, vindt hij, want de factor is objectiever.

Voor schilderijen van beginnende kunstenaars hanteert Ron Lang meestal een startfactor van 6. Een doek van 100 bij 100 centimeter gaat daardoor 1.200 euro kosten.

Na goede verkoop kan de factor bij een volgende expositie omhoog. Maar met beleid, zegt Lang, want de factor beweegt zich slechts in één richting. „Verlagen is ongeloofwaardig. Is het werk slechter geworden dan? Of heb je klanten eerder afgezet? Als de factor naar beneden wordt bijgesteld, moet je kopers van vroeg werk eigenlijk geld terug betalen.”

Van alle kunstenaars van galerie Metis is de factor van Norbert Schwontkowski de afgelopen jaren het snelst gestegen. Sinds de Duitser toetrad tot de vaste stal kunstenaars van de gerenommeerde Contemporary Fine Arts Gallery in Berlijn rees zijn factor van 25 naar 75. Lang: „Een groot doek van hem doet nu 30.000 euro. Dat zou ik goed kunnen verkopen. Probleem is alleen dat ik er nauwelijks nog aan kan komen.”

Meer weten over de succesfactor? Of een andere vraag over de kunstmarkt? Mail naar kunstmarkt@nrc.nl