Ik ben er niet, ik ben weg

„Het is inderdaad een andere wereld, die van haar, alleen komt zij er zelf niet in voor.” Zo’n zinnetje kan in je hoofd gaan rondzingen.

Het was nota bene op een feestje, iemands verjaardag. Ik was die avond met zo’n hoge snelheid aan het ‘minglelen’ geweest dat ik verzeild was geraakt in een groepje met louter onbekenden. Een van hen, een vrouw met groene oorbellen en een geëxalteerd stemgeluid, was bezig hoog op te geven van alle verre reizen die ze maakte, de geweldige mensen die ze daarbij ontmoette en de opwindende plannen die een beroemde cineast met haar levensverhaal had. Toen ze plotseling, midden in een zin, het anker had gelicht om iemand aan de andere kant van de kamer om de hals te vallen, zei de man naast mij: „Wel een heel andere wereld, zeg, waar zij in leeft.” „Klopt voor de helft”, was de reactie van de vrouw die tegenover hem stond, „het is inderdaad een andere wereld, die van haar, alleen komt zij er zelf niet in voor”.

Op weg naar huis bleef dat zinnetje in mijn hoofd rondspoken: een dodelijke opmerking, waarvan de echo ook nog eens ver genoeg reikte om degene die het betrof tot diep in de onderwereld te achtervolgen. In gedachten zag ik voor me hoe de vrouw, eenmaal aan gene zijde, zou reageren wanneer bij de première van de film over haar leven zou blijken dat zij daar zelf helemaal niet in voorkomt. Ze ziet haar ouders, het huis waar ze opgroeide, de scholen waar ze op heeft gezeten, vriendjes, vakanties, winst en verlies, het ene beslissende moment na het andere, maar zelf is zij onvindbaar, onzichtbaar, weggelaten. Wat zij op dat moment – en dus voor alle eeuwigheid – ervaart is de overtreffende trap van verlatenheid.

„Het is weliswaar haar wereld, maar zelf komt ze er niet in voor.” Op de fiets herhaalde ik de woorden net zo lang tot ik er muziek onder begon te horen. Te beginnen met een akoestische gitaar die naar binnen komt struikelen alsof iemand ‘m een zet heeft gegeven, met in zijn kielzog een bas die direct de draad oppikt van de melodie die in de akkoorden verborgen zit, en, op de tenen lopend, een zachtjes in het donker voor zich uit fluitend orgel. Het ritme is aanvankelijk wankel, licht aangeschoten, half verdoofd misschien wel, gebroken als bij een begrafenisstoet, maar krijgt al snel vaste grond onder de voeten. En al die tijd is er ook een stem die, naast de mijne, klaaglijk en bezwerend, als in een trance, bij wijze van refrein woorden zingt die de onderwereldecho zijn van de woorden die in mijn hoofd rondgonzen, maar dan vervormd door een aan walging grenzende bitterheid en wanhoop. „I’m not there,” zingt de zanger, „I’m not there, I’m gone”.

Het is Bob Dylan die ik door mijn tekst heen hoor zingen, met wat misschien wel de meest onthutsende song uit zijn hele oeuvre is: I’m Not There (1956) – en het effect van het jaartal in de titel is niet alleen dat de gebeurtenissen uit het lied al bij voorbaat de realiteitswaarde van een historisch feit krijgen, er wordt ook de suggestie gewekt dat om een sleutelscène gaat, de code waarmee zijn kunst kan worden ontcijferd. Het lied maakt deel uit van de mysterieuze groep van songs die Dylan in 1967, na zijn motorongeluk, opnam in zijn huis in Woodstock en in het nabijgelegen, roze geverfde huis (‘Big Pink’) waar vier leden van de band bivakkeerden (‘The Band’) die Dylan ook begeleiden op deze Basement Tapes. Een toepasselijke benaming, niet alleen omdat de songs vrij associërend tot stand waren gekomen in een kelder of garage, maar ook omdat ze, ergens op het breukvlak van mythe, droom en historie, geworteld waren in de onderste lagen van het collectieve onderbewuste van Amerika. Het gebied buiten de tijd waar de oerscènes van een volk zich afspelen – en in het geval van I’m Not There (1956) ook die van Dylan als individu.

Naar de tekst luisteren is zoiets als je voorover buigen naar de mond van iemand die met veertig graden koorts verslag doet van een droom die hij op dat moment aan het dromen is – in het besef dat die droom van cruciaal belang is, zowel voor de spreker als voor de toehoorder. Soms is wat we te horen krijgen glashelder: „I dream about the door”, „she’s my own fare thee well”, en af en toe springt er een enkel woord als een piranha vlak voor onze neus uit de stroom omhoog. Maar de meeste zinnen lijken halverwege de weg kwijt te raken of bestaan uit woorden, klanken soms, die alleen optellen tot een zin of beeld dankzij de desperate urgentie waarmee Dylan ze zingt. Het is zijn stem, het peilloze verdriet in Dylan’s stem, waarmee hij ons tot getuige maakt van een gebeurtenis die zo pijnlijk is dat hij alleen ijlend beschreven kan worden, in taal die nog half ongeboren en half muziek is.

De waarheid die langzaam maar zeker haarscherp gestalte krijgt in I’m Not There, en die een bevestiging lijkt te zijn van alle bange voorgevoelens die een mens maar kan hebben, is dat de ik-figuur van het lied iemand, een vrouw, in de steek heeft gelaten op een manier zoals niemand ooit iemand in de steek zou mogen laten. Het beeld dat als een visioen uit al die half gevormde zinnen oprijst is dat van een vrouw die radicaal verstoten wordt door haar gemeenschap. Je ziet een deel ervan bij wijze van spreken al een kring vormen en de eerste stenen oprapen. En de ik-figuur, die op zijn minst medeverantwoordelijk is voor haar situatie en ook de enige die nog iets voor haar zou kunnen doen - die is er niet, die is weg. Of hij nu echt met de noorderzon is vertrokken of dat hij uit lijfsbehoud achter de bank is gekropen toen zij, achtervolgd door haar vijanden, bij hem aanklopte, doet niet terzake. De oerzonde stáát, en daarmee, tot in alle eeuwigheid, de schuld en de schaamte: „I wish I was there to help her, but I’m not there, I’m gone.”

Niet alleen bestaat er maar één opname van, Dylan heeft er verder ook nooit meer iets mee gedaan, wellicht uit angst of op zijn minst respect voor de zuigkracht van het verdwijnpunt in het hart van het lied. Een lied dat zich afspeelt op het dieptepunt van een existentiële draaikolk die hij zelf heeft aangeslingerd door zich in zijn leven en werk zo volledig te laten leiden door het motto dat hij ontleend had aan Arthur Rimbaud: ‘Je es un autre’. I’m Not There is van die waarheid de uiterste consequentie.

Bij het afstappen zie ik ze hand in hand in de nacht verdwijnen, de vrouw van het feestje met de groene oorbellen en haar zuster uit Dylans song. De één maakt geen deel uit van de wereld die ze bij uitstek als de hare beschouwt, de ander zit gevangen in een wereld die niet meer de hare is sinds degene om wie die wereld draaide, de schepper ervan, daaruit is verdwenen.

En terwijl ik de sleutel in het slot steek moet ik denken aan de eerste regel van een verhaal van Borges over William Shakepeare: „Zijn ziel was onbewoond: achter zijn gezicht en achter zijn woorden (die overvloedig waren, magisch en woest) was er niets dan een kleine kilte, een droom die door niemand werd gedroomd.”

Er circuleerden al jarenlang bootlegs van The Basement Tapes voordat er in 1975 een officiële selectie op een dubbelelpee werd uitgebracht.” I’m Not There (1956) stond daar niet op, maar is wel te vinden op de soundtrack bij de naar deze song vernoemde film die Todd Haynes nu heeft gemaakt over de verschillende gedaanten van Bob Dylan – wiens personage daarin wordt verbeeld door vijf verschillende acteurs en één actrice.