‘Iedere verteller is een tiran’

De hoofdpersoon van Junot Díaz’ wervelende Dominicaans- Amerikaanse roman maakt de kachel aan met Amerika, Salman Rushdie en Mario Vargas Llosa. Zelf doet Díaz daar weinig voor onder: ‘Wat u voor moralisme houdt, is verteltechniek.’

Niet de Amerikaanse Grote Droom heeft de loop der dingen in de Verenigde Staten bepaald, maar de Grote Amerikaanse Doem. Tot deze ongebruikelijk visie komt de Dominicaan Yunior, de verteller van Junot Díaz’ roman Het korte maar wonderbare leven van Oscar Wao. Alles wat er sinds de moord op Kennedy is voorgevallen, is terug te voeren op de fukú (een vloek). Dat geldt voor de moord zelf, wat er met de Kennedy’s sindsdien gebeurde, maar het gaat zelfs op voor de oorlogen in Vietnam en Irak. Ze zijn een ‘presentje van mijn volk aan Amerika, een bescheiden vergelding voor een vuile oorlog. Fukú. Zowat een halve eeuw voor Irak was Santo Domingo al Irak.’

Junot Díaz, die voor het festival Crossing Border in Den Haag was, schreef een mooie, merkwaardige roman die schippert tussen de Dominicaanse en de Amerikaanse geschiedenis. Yunior vertelt als een kroniekschrijver over het treurige lot van de dikke nerd en sciencefictionliefhebber Oscar Wao en diens familie. Dat de familie gedoemd is, is te wijten aan een oom die wellicht een grapje maakte ten koste van de Dominicaanse dictator Rafael Trujillo. De oom werd gevangen genomen en heeft bovendien de fukú over zich afgeroepen voor de acht volgende generaties. Deze familiegeschiedenis wordt vaak onderbroken door wijsneuzerige voetnoten van Yunior die zijn visie op het geheel geeft en korte geschiedenislessen geeft voor ‘wie op school zijn halve lesminuut Dominicaanse geschiedenis heeft gemist’.

Naast het verhaal en de voetnoten – die eigenlijk een ander verhaal vertellen – wordt de lezer ook geconfronteerd met talrijke woorden waarvan de betekenis uit de context moet blijken. De roman zit vol Spaanse woorden en uitdrukkingen die in de Nederlandse uitgave achterin worden verklaard, maar in de Amerikaanse versie wilde Díaz per se geen woordenlijst. „Het is een boek over de Amerika’s en ik wilde zien hoe ver ik Engels kon ‘globaliseren’: het Engels van de straat en de Spaanse taal als achtergrond. Dat de Nederlandse vertaling een woordenlijst heeft, vind ik niet erg: die vertaling is toch al flink op afstand. Maar de Spaanse vertaling straks wordt interessant. Daarin wil ik zoveel mogelijk Engelse woorden laten staan die de vertaler dan weer in voetnoten mag verklaren.”

Geestige vondst

Yunior is, hoewel net als Oscar en diens moeder en zuster woonachtig in New Jersey, bepaald geen fan van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Het herleiden van de historie tot de fukú is een geestige vondst, maar het is vooral veelzeggend. Amerika handelt – volgens Díaz’ verteller, maar ook volgens Díaz zelf – zonder oog te hebben voor andere culturen en zonder historisch besef.

„In dit boek kwam ik erachter dat herinneren het moeilijkste is dat je in zowel Noord- als Zuid-Amerika kunt doen. In de oude wereld kunnen herinneringen een land uiteen doen vallen, maar de schade van het verleden beperkt zich tot dat land of eventueel tot een kolonie. Wanneer je je de geschiedenis van Amerika gaat herinneren, kom je er vanzelf achter dat die de hele wereld betreft. In mijn roman speelt de Dominicaanse geschiedenis een belangrijke rol, maar toch is het een Amerikaans boek. Je kunt het namelijk niet over de vroege geschiedenis van Amerika hebben zonder ook iets te zeggen over de Dominicaanse Republiek. En andersom natuurlijk, de Dominicaanse Republiek zou niet bestaan zonder de Verenigde Staten. De Dominicaanse Republiek is een extra interessant verhaal vanwege Santo Domingo. Daarmee begon de Nieuwe Wereld [de stad werd gesticht rond 1494 door de broer van Columbus], en op een bepaalde manier eindigt de Nieuwe Wereld nu met Amerika, als apotheose, culminatie. Het korte maar wonderbare leven… is kortom een Amerikaanse roman over de Dominicaanse Republiek, door de spiegel van die republiek.

„Yunior is geobsedeerd door de geschiedenis: wie bepaalt wat, wie kan waarop invloed uitoefenen? Neem Irak: dat is voor jullie een groot onderwerp, maar dat is onzin. In feite is het gewoon het zóveelste hoofdstuk. De Amerikanen doen wat ze altijd doen: een valse hond bijt, maar dat is toch geen nieuws? In het Caribische gebied hebben we het eind van de wereld al tien keer overleefd, en New York maakt dat nu één keer mee. 9/11 was niet het einde van de wereld of het begin van de Apocalyps, het had zovéél dingen kunnen zijn, maar uiteindelijk is het niet meer dan de aanleiding voor alweer een Amerikaanse oorlog.

„Yunior is heel goed in het kijken naar de geschiedenis, naar de afgrond tussen Amerika en Dominicaanse Republiek, maar hij heeft niet de moed om naar zichzelf te kijken, zichzelf te herinneren. Hij is in dat opzicht een typische immigrant, zonder dat immigratie nu een belangrijke rol in mijn boek speelt. Want ook al zijn de personages in mijn roman Dominicanen in New Jersey, een immigrantenboek is het niet. Wat wel speelt is de gedachte dat immigratie een goede manier is om je niets te hoeven herinneren. Je laat een verleden achter je. De roman gaat veel meer over de vraag hoe individuen zich het verleden herinneren. Hoe herinner je je familie, het verleden, of zelfs je land – of alledrie tegelijk. Het is moeilijk om de moed te vinden eerlijk naar een van de drie te kijken.”

Tirade

De geschiedenis en de rol van het individu daarbinnen lijkt een merkwaardig onderwerp voor wie het noodlot als rode draad neemt. Maar de suggestie dat Díaz met de fukú zijn personages een eigen verantwoordelijkheid uit handen zou slaan, doet hem in een tirade over Nederland uitbarsten. „Ik heb hier een half jaar gewoond en ik heb gemerkt dat jullie geobsedeerd zijn door de fukú. De obsessieve pogingen om controle over je leven houden is iets typisch Nederlands. Op het niveau van het verhaal is fukú iets waardoor je de werkelijkheid kunt scherpstellen. Je bent de optelsom van je keuzes en je realiseert je waarschijnlijk niet eens wat de belangrijkste waren. De fukú maakt het voor de schrijver mogelijk om bepaalde keuzes dramatisch sterk te maken. De vloek is dus een verhaalmiddel, een stijlmiddel, niet iets deterministisch – wat jullie er zo graag van maken. Ik verdien mijn geld met het bedenken van metaforen voor het leven. En daar kan ik geen enkele narratieve strategie bij missen. Verteltechnieken hebben geen morele component.”

Salman Rushdie en Mario Vargas Llosa worden echter in zijn roman wel bekritiseerd om hun verteltechniek, namelijk om hoe ze omgaan met geschiedenis en fictie. „Beiden zoeken een weg tussen fictie en geschiedenis, en Yunior doet dat ook, zij het op heel andere manier. Yunior heeft geen elitaire achtergrond, hij is een bijna platvloerse verteller, hij denkt zoals de straat. Volgens hem vergissen Vargas Llosa en Salman Rushdie zich omdat ze nooit arm zijn geweest en ook geen arme mensen kennen. Rushdie bijvoorbeeld, is een van die schrijvers die niet zien hoe tiranniek ze zelf eigenlijk zijn. Yunior merkt terecht op dat volgens Rushdie tirannen en schrijvers natuurlijke vijanden zijn, maar dat is te simpel. Ook een verteller – Yunior zelf – is tiranniek. Hij is er ook van overtuigd dat je geen verhaal kunt vertellen zonder deels een dictator te zijn. Yunior probeert de hele geschiedenis bij elkaar te houden, maar de enige die dat echt kan doen is de lezer.

„Weet je: mensen zullen altijd naar de verkeerde dingen kijken. Jij praat vooral over geschiedenis en fukú, terwijl de keuze die Oscar voor sciencefiction maakt om in zijn verbeelding te vluchten heel erg interessant is. De titels en schrijvers waar hij zich mee bezighoudt, worden niet voor niets genoemd. Je bent niet de eerste die niets van sciencefiction weet, en ik ga je ook niet vertellen hoe het zit. Maar hopelijk gaan studenten met mijn boek aan de slag en gaan ze zich vooral bezighouden met de sciencefiction, in plaats van met de fukú”.

Junot Díaz: ‘Het korte maar wonderbare leven van Oscar Wao’. Vertaald door Peter Abelsen. Mouria, 336 blz. € 19,90