Het vernietigende mannelijke bolwerk

‘Jacobs kamer’ is een tijdloze roman. Virginia Woolf wilde laten zien dat ingevingen en emoties zwaarder wegen dan woorden en feiten.

Wie Jacobs kamer heeft gelezen, kijkt op een nieuwe manier naar zichzelf en de wereld. Ik las het later dan de veel beroemdere romans van Viriginia Woolf (1882-1941), Mrs. Dallowayen Orlando, en pas nadat ik erachter was gekomen dat ze in dit boek voor het eerst brak met alle literaire conventies. Op 26 januari 1920, een dag na haar 38ste verjaardag, noteerde ze in haar dagboek: ‘Mij staat dit keer een volkomen andere benadering voor ogen; zonder steigerwerk; zonder dat je de bouwstenen kunt onderscheiden; alles schemerig, maar het hart, de gedrevenheid, de geestesgesteldheid, dat alles even lichtend als vuur in een nevel’.

Eigenlijk schrok dat ‘steigerloze’ van de roman mij af, ik vreesde onbegrijpelijk proza, maar al lezend ontdekte ik dat wat misschien in de jaren twintig van de vorige eeuw nog als experimenteel werd ervaren, tegenwoordig geen enkel probleem voor de lezer meer oplevert.

Jacobs kamer is een tijdloze roman die gaat over óns, mensen, nu en altijd. Alleen als je heel goed oplet, valt het op dat hoofdpersoon Jacob opgroeit aan de vooravond van WO I. In 1906, als hij in Cambridge gaat studeren, is hij 19 en de laatste keer dat hij in levenden lijve figureert, is hij 26. Het woord oorlog is dan nog geen enkele keer gevallen. Pas op de één na laatste bladzijde besef je dat augustus 1914 is gepasseerd, als Jacobs moeder ’s nachts wakker wordt en denkt aan haar zoons ‘die vochten voor hun vaderland’.

Achteraf lijkt Woolf Jacob met zijn omineuze achternaam (Flanders) te hebben voorbestemd tot kanonnenvoer op de slagvelden in België. Als we hem en zijn medestudenten op Trinity College naar hun studentenkamers volgen, waar ze in stoelen hangen, roken en discussiëren, schrijft Woolf niet voor niets: ‘doodgewone jonge mannen allemaal, die later – maar het is niet nodig aan ze te denken wanneer ze oud zullen zijn […]’ Voor mensen die Jacob’s Room lazen toen het in 1922 verscheen, moet het direct duidelijk zijn geweest dat Woolf in Jacob en zijn vrienden een ‘lost generation’ schilderde. Nu, oorlogen later, komt het verhaal over als een universele tragedie waarin onwetende schepsels dansen op de rand van de vulkaan.

Woolf slaagt erin ons Jacobs leven even onbekommerd te laten beleven als hij en zijn tijdgenoten dat deden. Natuurlijk wisten zij niet wat hen boven het hoofd hing, zoals wij dat nooit over onszelf kunnen of willen weten. Heel bewust breekt Woolf met de romantraditie die suggereert dat wij karakters (of tijdvakken) kunnen doorgronden. Als zij probeert Jacob als 19-jarige te beschrijven, merkt de verteller op: ‘Iedere poging om een oordeel over mensen te vormen is zinloos. Je moet afgaan op ingevingen, niet op wat precies wordt gezegd en nog minder op wat wordt gedaan [...]’.

Later in de roman komt dezelfde passage nog een keer terug. Blijkbaar is dit een sleutelzin. Wie op zoek is naar zelfkennis of inzicht in anderen en hun verhouding tot de tijd waarin zij leven, moet niet letten op woorden en nog minder op daden, maar op iets dat niet te benoemen valt, maar dat Woolf desondanks oproept. Ze leert je met haar filmische aanpak kijken naar en (dankzij haar stream of consciousness-techniek) denken over de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, voordat zij is gestold in de vorm van verhalen of geschiedenisboeken.

Het is dan ook misplaatst Jacobs kamer een coming-of-age story te noemen van een student die zijn einde vindt in de loopgraven. De lezers wisten van de loopgraven, maar in het boek komt geen loopgraaf voor, Jacob is er niet meer, dat is alles. Zijn coming-of-age is door de oorlog zinloos geworden en daarmee verwoordt Woolf haar bijtende kritiek op een maatschappij waarin machtige, goed opgeleide mannen hun posities misbruiken om oorlogen te voeren.

Ook Jacob, die op Cambridge het essay ‘Bestaat de geschiedenis uit biografieën van grote mannen?’ schrijft, maakt deel uit van dit vernietigende masculiene bolwerk. De vraag die Virginia Woolf opwerpt, luidt of Jacob er alleen maar slachtoffer van is of dat hij dezelfde manlijke superioriteit belichaamt die de oorlog heeft veroorzaakt. Ook hij laat zich immers de privileges van zijn klasse en sekse aanleunen en minacht jonge vrouwen met minder kansen in de maatschappij.

Om het antwoord op deze vraag – slachtoffer of medeplichtige? – was het Woolf niet in de eerste plaats te doen. Waarom dan wel, laat ze het personage Rose Shaw zeggen: ‘Het vreemde van het leven is dat, hoewel de aard ervan voor iedereen al honderden jaren duidelijk moet zijn, niemand er ooit een kloppend verslag van heeft nagelaten. De straten van Londen hebben hun plattegrond, maar onze hartstochten zijn nooit in kaart gebracht’.

Misschien zal dat laatste geen schrijver ooit lukken, maar Virginia Woolf heeft er met deze roman een goed gemikte gooi naar gedaan. De menselijke hartstochten lichten er in op als vuur in de nevel, precies zoals zij het zich in haar dagboek had voorgenomen.

Dit is de eerste aflevering in de discussie over ‘Jacobs kamer’ van Virginia WoolfDiscussieer mee via nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere artikelen te vinden zijn. Meer informatie is te vinden op de www.the-ledge.nl, die met de Leesclub samenwerkt.

Het dorp Stepantsjikovo (Dostojevski, okt.) – Bouvard en Pécuchet (Flaubert, nov.) – Jacobs kamer (Woolf, dec.) – Een man wordt ouder (Svevo, jan.) – Felix Krull (Th. Mann, febr.) – Het genadeschot (Yourcenar, maart) – Huwelijksverhalen (Strindberg, apr.)