‘Heerlen is geen stap opzij’

Als directeur van Het Glaspaleis wil Stijn Huijts de nieuwe ‘Heerlense culturele lente’ een impuls geven. „Ik zie bevlogen mensen die buiten de culturele kaders kijken.”

„Jaren kampte Heerlen met een imagoprobleem vanwege de mijnsluitingen. Nu bloeit de stad.” Stijn Huijts is nog maar net begonnen in zijn nieuwe baan, algemeen en artistiek directeur van het multidisciplinaire Glaspaleis in Heerlen, maar is al zeer lovend over zijn nieuwe werkplek. De hernieuwde culturele dynamiek in de stad noemt hij het „best bewaarde geheim van de regio”.

Elf jaar lang was Huijts (Heerlen, 1959) directeur van museum Het Domein in Sittard. Daar organiseerde hij spraakmakende tentoonstellingen. Ook op andere gebieden liet hij zich niet onbetuigd. Zo baarde hij opzien met het met twee collega’s geschreven manifest Naar een mondig museum, dat de ‘monocultuur’ in de Nederlandse museumwereld hekelde. Musea, meent Huijts, zouden moeten openstaan voor nieuwe invloeden. De discussie daarover bloedde tot zijn spijt dood.

Nu treedt hij aan in Heerlen. Die stad legt de nadruk op cultuur met het moderne, in 2004 gerenoveerde Glaspaleis, de vorig jaar opgeknapte Stadsschouwburg, een nieuw poppodium. Zijn overstap naar Het Glaspaleis, dat bestaat uit de Muziekschool, Filmhuis de Spiegel, Bibliotheek, het centrum voor architectuur Vitruvianum en museum de Stadsgalerij, is opmerkelijk te noemen. Verwacht werd dat hij als zwaargewicht in de kunsten met veel (inter)nationale expositie- en presentatie-ervaring zou doorstromen naar een van de grotere musea.

Huijts ziet zijn nieuwe functie in Heerlen echter beslist niet als een stap opzij. Het Glaspaleis krijgt met hem voor het eerst een eenkoppige leiding. Natuurlijk, geeft hij toe, heeft hij heus wel even rondgekeken in de landelijke museumwereld. Maar hij stuitte op het probleem dat hij al eerder signaleerde: „Museumdirecteuren zitten te lang op één plek. Alle functies zijn dichtgeplakt.”

Zijn nieuwe baan noemt hij „heel erg van deze tijd”. Huijts heeft zich altijd aangetrokken gevoeld tot de cross-overs binnen de kunsten. Het Glaspaleis wil hij ontwikkelen tot „een soort mini-Centre Pompidou” met kruisbestuivingen tussen beeldende kunst, architectuur, muziek, film, dans, literatuur en media. „Ik wil op een vloeiende manier schakelen. Tentoonstellingen worden bijvoorbeeld geflankeerd door een aanvullend programma in de muziekschool, het filmhuis of de bibliotheek. Of de presentatie van de laureaten van de Mies van der Rohe-award 2007 volgend jaar. Die krijgt extra gewicht met een expositie over de naamgever van de prijs.”

Huijts wil ook samenwerken met lokale culturele instellingen - met poppodium De Nieuwe Nor bijvoorbeeld, dat naast concerten ook kunst exposeert in een eigen galerie. Heerlen is verfrist, weet Huijts. „Ik zie leuke, bevlogen mensen op nieuwe posten, bij wie ik een zekere vanzelfsprekendheid bespeur om ook buiten de culture kaders te kijken.”

Daarnaast wil hij de geschiedenis en de stedenbouwkundige context van Het Glaspaleis, dat door de Union of International Architects is opgenomen op de lijst van duizend belangrijkste gebouwen van de afgelopen eeuw, belichten. Hij speelt zelfs met de gedachte Het Glaspaleis weer zijn oude naam, Schunck, terug te geven, een begrip in Heerlen. Het voormalige modehuis van stoffenkoopman Peter Schunck moet weer „een scharnier zijn tussen verleden en toekomst”. Want: „De naam Schunck staat voor mij voor inhoud en dynamiek, terwijl de huidige naam veel meer gaat over de buitenkant.”