Gorillabouw

Het New Museum of Contemporary Art in New Yok heeft een nieuw huis. Nederlandse architect, Japans ontwerp. Hell Yes!

Nog geen twee jaar geleden was het een parkeerplaats aan een groezelige straat in zuidelijk Manhattan, waar tientallen groothandelaren in keukenapparatuur het naburige Chinatown bedienden. Nu glinstert het metaalgaas van het New Museum of Contemporary Art. Op de pui van het museum staat nu in metershoge regenboogkleuren ‘HELL YES!’.

De bijna honderd New Yorkse musea renoveren onophoudelijk. Maar een pand van de grond af opbouwen is al jaren niet meer voorgekomen. Het pand kostte 50 miljoen dollar (34 miljoen euro), heeft 5.600 vierkante meter aan tentoonstellingsruimte en opende afgelopen weekeinde de glazen deuren..

Het gebouw doet opgeruimd aan. De grote overzichtelijke metaalvlakken glimmen in het daglicht en binnen is het er proper, helder, ordentelijk. Dat was precies de bedoeling, vertelt de Nederlandse architect Florian Idenburg, die eindverantwoordelijk was voor de bouw. Hedendaagse kunstuitingen vragen volgens Idenburg om veel ruimte, zonder belemmeringen van scheidingswanden en laaghangende verlichting. Daarom heeft het Japanse architectenbureau Sanaa waarvoor hij werkt een opeenstapeling van blokken ontworpen die samen 53 meter de lucht insteken. De ruimtes binnenin zijn kaal, vrij van de constructie-ondersteunende pilaren. In de kelder is een theater.

Sanaa is in Nederland bekend als de ontwerper van de Schouwburg in Almere, begin dit jaar geopend. Idenburgs rol bij Sanaa begon al eerder. Toen Nederlandse architectuur eind jaren ’90 populair werd, besloot Idenburg na zijn studie in Delft juist het land te verlaten. Hij studeerde Japans en werd in Tokio een van de eerste buitenlanders bij Sanaa. In 2003 werd de opdracht voor het nu dertig jaar oude New Museum voor hedendaagse kunst binnengesleept. En Idenburg mocht als een van de architecten die had meegewerkt aan het ontwerp opnieuw zijn koffers pakken.

Hij wist dat het bouwen in New York gecompliceerd zou worden. De bouwsector in de stad is volgens Idenburg berucht om „lamlendigheid, haastige bouwvakkers, irritatie over complexe voorstellen en dat geld het altijd wint van kwaliteit”. Dat alles terwijl het Japanse ontwerp juist zo gedetailleerd was, met aandacht voor hoogwaardige materialen.

Dat moest wel gaan botsen. Een voorbeeld. Idenburg vroeg een van de bouwvakkers een proefmonster te laten zien van het brandwerende materiaal waarmee hij het plafond zou inspuiten. Bouwvakker boos: je weet toch hoe dat eruit ziet? Wit en dik. Bouwvakker haalt uit en spuit Idenburgs schoenen onder: zo ongeveer ziet het eruit. Idenburgs reactie, onderkoeld: „Monster afgekeurd.” Later vatte een aannemer de problemen samen voor de bouwheer: „Je probeert gorilla’s een piano te laten bouwen.”

Ook ging het ontwerp tegen de New Yorkse gewoonte in door in de hoogte minder ruimte te gebruiken dan is toegestaan. In plaats daarvan besloten de architecten de verdiepingen ten opzichte van elkaar te laten inspringen – anders zou het zo’n doos worden. Bijkomend voordeel was dat het gebrek aan daglicht (er zijn nauwelijks ramen) deels opgeheven kon worden: de uitstekende randen zijn transparant en verlichten binnen de kale muren.

De architecten namen nog een risico. Over de breedte van de hele begane grond is de façade van vloer tot plafond van glas en de lobby vrij toegankelijk. Een toegangskaartje is niet nodig voor de museumwinkel en de cafetaria. Dat kunnen aantrekkelijke slaapplaatsen zijn voor de daklozen in de buurt. „We zijn wel een beetje bang voor alle zwervers hier”, zegt Idenburg. De eerste reacties zijn gemengd. New York Magazine noemt het museum „een toverachtig gevoelloze inbreuk” op de omgeving. The New York Times spreekt van „een verfrissend onpretentieuze plek om kunst te bekijken.”

Idenburg gaat lesgeven aan Harvard University en begint zijn eigen bureau. In New York.