Gij schoon, verscheurend dier

Luís Vaz de Camões: Ware voor zo lange liefde niet zo kort het leven. Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door August Willemsen. De Arbeiderspers, 243 blz. € 29,90

Een toepasselijker titel had de vorige week overleden vertaler August Willemsen niet kunnen geven aan zijn bloemlezing uit het werk van de 16de-eeuwse Portugese dichter Luís Vaz de Camões. Ware voor zo lange liefde niet zo kort het leven bekt voor een boektitel misschien wat omslachtig. Maar de melancholie ervan weerspiegelt scherp de tragiek van het leven van Willemsen zelf. Te jong overleed hij (71 jaar oud) om de hartstocht die hij voor de Portugese en Braziliaanse literatuur had leren koesteren geheel te hebben kunnen uitputten. Deze bloemlezing is de laatste vertaling die Willemsen nog heeft zien verschijnen. Enkele andere titels (onder meer van Graciliano Ramos en Álvaro de Campos, een van de heteroniemen van Fernando Pessoa) wachten nog op publicatie.

In het vertaaloeuvre van Willemsen vormt deze uitgave van 16de-eeuwse, nogal hoofse poëzie een buitenbeentje. Meestal hield hij zich met modernere auteurs bezig. Maar in het strakke rijmschema van de sonnetten waaruit de eerste helft van deze bundel bestaat, betoont hij zich opnieuw een ware taalkunstenaar. Met strikte gehoorzaamheid aan vorm en rijm, weet hij inhoud en toon van deze gekwelde liefdesgedichten op virtuoze wijze in het Nederlands om te zetten. Stoplappen ontbreken vrijwel, en hoogstens een enkele keer passeert de strakke cadens van Camões’ poëzietrein bij Willemsen een wissel met wat achterstallig onderhoud.

Liefde en het leed daarom, het smachten naar de aanbeden vrouw en het oogsten van slechts ondankbare blikken zijn de grote thema’s van Camões’ lyriek. Daarin komt een heel andere dichter naar voren dan de man die in 1572 Os Lusíadas publiceerde: het grote heldendicht over Vazco da Gama en de verrichtingen van de Portugezen op de wereldzeeën. In zijn sonnetten is Camões een volbloed-volgeling van Petrarca en, zelfs nog vóór hem, van de minnepoëzie der troubadours.

Dat leidt soms tot een vorm van poëzie die wij nu clichématig noemen. Sneeuwwit gelaat en lippen van robijn: de aanbedene heeft alles wat haar voor ons een tutje of – zoals Willemsen in zijn nawoord schrijft – zelfs een kreng zou maken. Aan Camões was dat niet ontgaan. ‘Gij schoon, verscheurend dier’, zo spreekt hij haar aan in één van de oden die in deze bundel opgenomen zijn.

Over wie had hij het daar? Er is eeuwenlang al heel wat afgespeculeerd over wie Camões’ tegenhangsters van Laura of Beatrice (bij hem: Violante of Dinamene) hebben kunnen zijn. Maar bij vrijwel totaal gebrek aan harde gegevens over het leven van de dichter, heeft dat vooral tot heel veel fantasie geleid. We weten (ongeveer) wanneer hij geboren werd en stierf, wanneer zij heldendicht verscheen en wanneer hij naar de Oost vertrok. En hoogstwaarschijnlijk verloor hij in de oorlog met de Moren daar zijn rechteroog, zoals zijn Spaanse tegenhanger Cervantes er een generatie later een arm in zou verliezen.

Dat is zo ongeveer alles wat wij weten – en eigenlijk, schrijft Willemsen terecht, is dat genoeg. Want door de gedichten die (met wisselende waarschijnlijkheid) aan hem worden toegeschreven, klinkt onwillekeurig een geluid op dat de clichés van de minnepoëzie ontstijgt. Er sluipt na de eerste roes van liefde, gaandeweg ontgoocheling en zwartgalligheid naar binnen, die Willemsen zelfs ‘pre-romantisch’ noemt. De dichter ziet de dood in de ogen, die zowel het einde van zijn liefde als die van zijn leven zijn kan: ‘Wanneer de zwaan voelt dat het uur gekomen/ Is dat een eind gaat maken aan zijn leven,/ Heft hij een klaagzang aan, hoog en verheven,/ Over de onbewoonde oeverzomen.’