En toen was er ineens licht

In de herfst van 1910 ging Tolstoj dood op een manier die hij zelf beschreven had. De Amerikaanse auteur Jay Parini schreef er een roman over. Dat intrigeert zijn collega Arjan Visser, die zich voor zijn debuut ‘De laatste dagen’ door de oude Tolstoj liet inspireren.

Mijn vader was de eerste mens die ik zag sterven. Hij had lang geloofd dat zijn ziekte als een kriebelhoest voorbij zou gaan, maar een week voor de dag waarop hij uiteindelijk toch het leven zou laten, vertelde dokter R. hem dat het écht afgelopen was; dat de kwade cellen het van de goede cellen hadden gewonnen. Die avond liet mijn vader zijn medicijnen staan. Hij dronk weinig meer en het enige voedsel dat hem nog kon bekoren was andijvie.

Andijvie.

Toen de dominee hem kwam vragen of hij nog wel eens tot de Heere bad, antwoordde mijn vader dat die gewichtige gebeden hem niets meer zeiden. ‘Alles wat ik doe,’ zei hij zachtjes, ‘is God bedanken dat de andijvie me nog goed heeft gesmaakt.’

Ik heb die man mijn leven lang bestudeerd, maar in zijn laatste dagen wilde ik hem nóg nauwkeuriger in de gaten houden. Hij had me zoveel voorgedaan, nu moest ik zien hoe sterven ging. Ik dacht dat ik hem er op kon aanspreken, dat hij zou kunnen zeggen wat er zich in zijn hoofd afspeelde, maar hij zei alleen dat hij zich zorgen maakte over mijn moeder en vroeg ons goed op haar te letten.

Ik vond het jammer dat hij niet meer te melden had. Ik stelde mezelf teleur door niet te kunnen bedenken waar hij aan dacht, daar op dat bed in de huiskamer. Met zijn infuus aan een kapstok. Het uitzicht op de tuin. Steeds diezelfde stomme wilg. De silhouetten van vogels als stickers op de glazen schuifpui. Het geredder van vrouw en kinderen. ‘Lig je lekker zo?’

Als ik er even niet aan dacht dat hij, mijn verwekker, daar werkelijk lag dood te gaan, zou het een alledaags tafereeltje geweest kunnen zijn. Het kon ook eindeloos zo doorgaan, dat het almaar slechter met hem ging die week viel eigenlijk niet eens op. Zelfs de laatste dag, toen hij met een beetje meer morfine in slaap leek te zijn gevallen en met open, maar ‘gebroken’ ogen – zoals dokter R. die vreemde bruine knikkers noemde – lag te snurken nee, zelfs toen hij kort na middernacht met een pufje van niks de geest gaf, kon ik bijna niet geloven dat er iets schokkends was gebeurd. Het was allemaal zo vanzelfsprekend geweest.

Sterven, dacht ik, doe je zoals Ivan Iljitsj het heeft gedaan. Voor de romanfiguur van Leo Tolstoj was slechts opium beschikbaar, een middel dat de pijn kennelijk nauwelijks kon verzachten. In de nieuwe vertaling van De dood van Ivan Iljitsj lezen we: ‘Vanaf dat ogenblik begon die drie dagen durende, onophoudelijke schreeuw, die zo verschrikkelijk was dat je hem twee kamers verder niet zonder afschuw kon horen.’ Kijk, daar lag echt iemand dood te gaan. En wat ik onmogelijk van mijn vader kon verlangen, kreeg ik van Tolstoj in minder dan zestig pagina’s voorgeschoteld: wroeging over alles wat was mis gegaan, angst voor wat er komen ging. Ik herinner me hoe ik, lezend in De dood van Ivan Iljitsj, het eeuwige niets voor op mij op zag doemen. Ik raakte er per regel meer van overtuigd dat het zo moest gaan, dat Tolstoj op een raadselachtige manier te weten was gekomen hoe een mens zijn laatste uren van binnen slijt.

Langzaam maar zeker verplaatste Ivans aandacht voor zijn eigen zorgen zich naar het verdriet van de mensen om hem heen en wilde hij niet alleen zichzelf maar ook de anderen van de kwelling bevrijden. Hij voelde zijn pijn en zocht naar zijn ‘gewone, oude doodsangst’ maar vond hem niet. ‘Wat een vreugde!’ Terwijl degenen die bij hem waren nog twee uur naar ’s mans doodsgereutel luisterden, lag Iljitsj er al helemaal tevreden bij. Hij hoorde iemand zeggen ‘Het is afgelopen’ en herhaalde die woorden ‘in zijn binnenste’. ‘De dood is afgelopen, zei hij tegen zichzelf. Die is er niet meer.’ Daarna volgt nog: ‘Hij zoog lucht naar binnen, stopte halverwege die zucht, rekte zich en stierf.’ Mooie laatste zin, maar die zin ervoor vond ik vooral aangrijpend. De dood is er niet meer. Ivan Iljitsj is vrij.

Of Tolstoj zich het sterven van mensen goed had ingebeeld, moest hij zelf in 1910, vierentwintig jaar na het verschijnen van de novelle, ontdekken toen hij na een bizarre vlucht van zijn landgoed Yasnaja Poljana in de schamele hut van de stationschef van Astopovo, geveld door een zware longontsteking, op zijn einde lag te wachten.

Hij was, voor even, aan de aandacht van zijn vrouw Sofia ontsnapt die maar moeilijk kon accepteren dat haar Leo geld en goed aan de arme boeren op zijn landgoed wilde schenken (en een leven zonder seks predikte, terwijl hij zelf niets liever had gedaan dan haar en andere vrouwen bezwangeren). De noodoplossing – Tolstoj bewoog zich in lompen tussen zijn minderbedeelde medemensen en liet de boekhouding van Yasnaja Poljana aan zijn vrouw over – dreef hem uiteindelijk tot wanhoop en zo kwam het dat hij in de vroege ochtend van de 28ste oktober, in het gezelschap van zijn dokter Dushan Makovitski, de koets nam naar het station van Shchyokino waarvandaan ze per trein naar Shamordino vertrokken, alwaar Mashenka, Tolstojs zuster, sedert tientallen jaren in een afgelegen nonnenklooster verbleef.

Na één nacht, toen hij begreep dat het niet lang zou duren voordat zijn vrouw hem zou hebben ingehaald, ging de reis verder. Naar de Kaukasus, naar Bulgarije? Hij wist het niet. Zijn geheime vlucht was inmiddels voorpaginanieuws. De drukte in de coupé werd hem al snel te veel, hij werd ziek en verliet op advies van Makovitski in Astopovo de trein. Tolstoj’s laatste wandeling ging van het perron naar de woning van de stationsmeester. Steeds meer mensen verzamelden zich op het station waar een paar dagen later ook de trein met Sofia, drie van haar kinderen, een arts en een verpleegster aan zou komen. Inmiddels hadden honderden journalisten zich gemeld. Filmpionier Pathé had zijn cameraman, Meyer, per telegram opdracht gegeven het drama in beeld te brengen: ‘TAKE STATION, TRY TO GET CLOSEUP, STATION NAME. TAKE FAMILY, WELL- KNOWN FIGURES, CAR THEY SLEEPING IN’.

Daar lag hij dan: de man die God, rust en eenvoud zocht, opgejaagd en ingesloten door bewonderaars, nieuwsjagers en bovenal zijn vrouw Sofia die overigens door Meyer nog werd gefilmd toen ze haar neus tegen de ruit drukte van het gebouwtje waarin haar man lag dood te gaan. Het contrast tussen de radeloze Sofia en haar echtgenoot – de arme grijsaard die liever een monnik was geworden – kon haast niet groter zijn. Dat lijkt mij ook de verklaring voor zijn wanhopige vlucht: Sofia vertegenwoordigt het leven waar hij geen deel meer aan wil hebben. Een keer zou het haar lukken de kamer binnen te dringen. Ze smeekte haar stervende man om vergeving en werd hardhandig afgevoerd. In haar dagboek schrijft ze later: ‘mijn hart werd tot het uiterste gefolterd’. Na twee uur blauwbekken in een portiekje mocht ze nog even binnen komen om getuige te zijn van Tolstojs laatste snik.

De gebeurtenissen uit die dagen werden niet alleen door journalisten opgetekend en door omstanders doorverteld; in Tolstojs directe omgeving hielden tientallen mensen dagboeken bij. Die enorme schat aan informatie bracht Jay Parini op het idee een boek over de laatste dagen van Tolstoj te schrijven, gezien door de ogen van zijn vrouw Sofia, zijn secretaris Bulgakov, zijn dokter Makovitsky, zijn dochter Sasha en zijn vriend en uitgever Vladimir Chertkov. Ook Tolstoj levert met dagboekfragmenten en brieven een bijdrage aan deze roman uit 1990. Opvallend genoeg kiest ook Parini voor het citeren van een gedeelte uit De dood van Ivan Iljitsj als het sterven nabij is. Alsof er uiteindelijk toch, in al die woorden, geen betere beschrijving van Tolstojs einde te vinden is dan de beschrijving die de schrijver zelf voor zijn romanfiguur had bedacht.

Er gebeurt nog iets wonderlijks in Het laatste station: Parini romantiseert en laat alle figuren rondom de schrijver bewegen, maar Tolstoj zelf lijkt stil te staan. In het geharrewar, de chaotische taferelen, te midden van het geruzie tussen Sofia en Chertkov, de overpeinzingen van Bulgarov en Sasha, zit graaf Leo vooral in zijn studeerkamer en denkt aan grote thema’s, of schrijft hij brieven aan tijdgenoten als Bernard Shaw en Gandhi. Al zijn woorden zijn authentiek en als hij door anderen sprekend wordt opgevoerd, zijn dat ook letterlijke citaten. Daarmee is Leo Tolstoj op een overtuigende manier, levensecht, gevangen in de fictie. Toen ik Het laatste station dichtsloeg, dacht ik: ja, zo moet het gegaan zijn. Precies zoals ik ervan overtuigd was dat Tolstoj in De dood van Ivan Iljitsj het sterven had weten te doorgronden.

Inmiddels is er voor de zoveelste keer een cameraploeg naar het landgoed Yasnaja Poljana – Russisch voor ‘het heldere veld’ – afgereisd. Jay Parini’s boek wordt namelijk verfilmd. Een verfilming van een roman over de dood van een man die een roman over de dood schreef. Anthony Hopkins heeft zijn baard laten staan en Meryl Streep bergt voor de gelegenheid haar grijze lokken in een knot. Het kost me niet veel moeite om een voorstelling te maken van de laatste scènes. Een heen en weer hollende Sofia – hopelijk kiest Streep niet voor een Sophie’s choice-accent – en een zuchtende en steunende Leo die maar niet met rust gelaten wordt. Hoe Hopkins hem het loodje laat leggen is eigenlijk niet interessant. Het kan met een smartelijke zucht gaan, of met een haast niet waar te nemen zuchtje. Hij zou zijn hoofd naar links of naar rechts kunnen laten vallen of misschien zijn handen nog één keer dramatisch ten hemel kunnen opheffen, maar welke keuze hij ook maakt: het zal slechts de verbeelding van het sterven zijn. Of het nu op 7 november 1910, door horden omringd, op het station van Astopovo of vierennegentig jaar later in een doorsnee huiskamer te Sprang-Capelle, met veel misbaar of in serene stilte, gebeurt: een laatste adem is een laatste adem. Hoe het sterven zich werkelijk voltrekt – wat er nog te zien, te horen of te denken is – zal een ieder zelf beleven. Tot die tijd zou je je kunnen troosten met de gedachte dat het misschien zal zijn zoals Leo Tolstoj het zich in 1886 heeft voorgesteld: ‘Er was helemaal geen angst meer, omdat de dood er niet was. In plaats van de dood was er licht.’

Jay Parini: Het laatste station. Vertaald door Aukelien Weverling, Bart Kraamer en F. Merktet. Meulenhoff, 318 blz. € 18,90Leo Tolstoj: De dood van Ivan Iljitsj. Vertaald door Arthur Langeveld. Meulenhoff, 109 blz. € 16,90