Eindelijk beetje luxe in zwemland

De Nederlandse zwemtop wordt steeds breder.

Maar er moet nog een hoop gebeuren voordat Nederland structureel een zwemland is, vindt trainer Jacco Verhaeren.

Het is een luxe die zwemtrainer Jacco Verhaeren nog niet eerder meemaakte. Nog niet zolang geleden zocht hij in alle hoeken en gaten zwemmers van voldoende niveau om een estafetteploeg voor de 4x200 meter vrije slag bij elkaar te schrapen. Inmiddels kan de technisch directeur van de zwembond (KNZB) kiezen uit acht zwemmers, zowel bij de mannen en de vrouwen. Voor de EK langebaan in Eindhoven, volgend jaar, hebben tien Nederlandse mannen de limiet gezwommen, terwijl er maar acht mogen meedoen. „Het niveau op de 200 vrij is nog nooit zo hoog geweest”, zegt Verhaeren tijdens de Dutch Open Swim Cup.

Hoewel Nederland wat betreft de medailles nog altijd afhankelijk is van het supertrio Pieter van den Hoogenband, Marleen Veldhuis en Inge Dekker, wordt de zwemtop wel steeds breder. Voor de estafetteploegen zal Verhaeren straks moeten kiezen uit vrijeslagspecialisten als Sebastiaan Verschuren, Joost Reijns, Olaf Wildeboer, Stefan Oosting, Femke Heemskerk, Manon van Rooijen en Linda Bank. De lijst is nog langer. Ook op andere nummers zit er beweging in, getuige de snelle opkomst van Nick Driebergen (rugslag) en Moniek Nijhuis (schoolslag).

Volgens Verhaeren is de verbreding een direct gevolg van de nieuwe weg die de bond enkele jaren geleden insloeg met de instelling van nationale zweminstituten in Eindhoven (NZE) en Amsterdam (NZA), waar de top dagelijks uren traint voor hun moment van olympische glorie. Tot vorig jaar was het vooral ‘Eindhoven’ dat de aandacht opeiste, met Veldhuis, Dekker en Van den Hoogenband. Inmiddels is ‘Amsterdam’ sterk in opkomst.

Het NZA kende een moeilijke start, met twee rivaliserende zwemteams die langs elkaar heen leefden in één bad. Vorig jaar greep Jacco Verhaeren namens de bond in: de teams werden samengevoegd, en trainer Fedor Hes moest wijken voor Martin Truijens.

Hoewel hij aanvankelijk met enige argwaan werd bekeken is de rust in het Sloterparkbad inmiddels teruggekeerd. De resultaten onder Truijens zijn goed. Verhaeren: „Veel estafettezwemmers komen uit Amsterdam. Iemand als Nick Driebergen heeft dit jaar een enorme stap gemaakt, omdat hij goed kan trainen. Er zijn nu twee plaatsen waar zwemmers topsport kunnen bedrijven. Dat werkt ontegenzeggelijk. Op beide beide plekken wordt ontzettend hard gezwommen. Ik ben blij dat de opzet nu al resultaat oplevert.”

Verhaeren hamert al jaren op de noodzaak van een verbreding van de Nederlandse top, die door de successen van Inge de Bruijn, Van den Hoogenband, Dekker en Veldhuis altijd groter leek dan hij in werkelijkheid was. „Het is heel goed dat de jonge jongens zich gaan bemoeien met de strijd om de estafetteplaatsen”, zegt Verhaeren. „We zitten niet meteen aan de wereldtop, maar dit is goed voor het Nederlandse zwemmen. Uiteindelijk staat of valt het met de kwaliteit van de trainers aan de kant en de kwaliteit van het trainingsprogramma. Dat hebben we nu voor de top goed voor elkaar.”

Maar Verhaeren is al bezig met de volgende stap. Direct na ‘Peking’ moeten in Nederland drie regionale zweminstituten voor de nationale topjeugd operationeel zijn. Naast Amsterdam en Eindhoven krijgt ook Drachten zo’n faciliteit. Verhaeren: „Dat is noodzaak, want het gat tussen de zwemclubs en de top is te groot in Nederland. We willen jonge talenten eerder en beter laten aansluiten bij de nationale zweminstituten.”

Daaronder moeten volgens Verhaeren de Nederlandse zwemclubs hoognodig professionaliseren. In buurlanden als België, Duitsland, Frankrijk en Engeland zijn clubs professioneler dan in Nederland, waar nog vaak vrijwilligers langs de badrand staan, in plaats van betaalde trainers. „Dat zegt niks over de kwaliteit, maar vrijwilligers kunnen per definitie minder tijd steken in het zwemmen, omdat ze ook nog een baan hebben”, zegt Verhaeren. „In andere landen is zwemtrainer meer een vak dan bij ons. De overheid steekt in het buitenland meer geld in het zwemmen, de clubs vragen vaak meer contributie. In Nederland kun je voor een paar tientjes een maand trainen. Als ik een tennisleraar wil, betaal ik een paar tientjes per uur. Met dat geld kunnen clubs voor betere faciliteiten zorgen, betere trainers opleiden. Maar dan kom je al snel bij de structuur van clubs in Nederland, waar de hele ledenvergadering zich moet uitspreken over een contributieverhoging van een kwartje. Je kunt niet voor een euro per training een hele hoge kwaliteit verwachten. Daarvoor is een cultuuromslag nodig. Pas dan krijg je een echte verbreding.”