Een traan om Abe op het asfalt

De mysterieuze krachten in de sport, daar draait het om in de 141 verhalen uit de bloemlezing ‘Sport’. Toch zijn weinig sportschrijvers beter dan de niet opgenomen August Willemsen.

‘Garrincha’ Foto riazor.org riazor.org

Arthur van den Boogaard (red.): Sport. De 141 beste Nederlandse sportverhalen van 1945 tot nu. Carrera, 1186 blz. € 34,95

Geen gemener verleiding dan de inhoudsopgave. Althans bij het bespreken van een kolossale anthologie als Sport, de meer dan duizend pagina’s dikke keuze van Arthur van den Boogaard – sinds 1999 sportboekenrecensent van Het Parool – uit de naoorlogse Nederlandse en Vlaamse sportverhalen. Want voor je het weet turf je de in het boek voorkomende sporten, zoek je naar de productiefste auteurs, het langste verhaal, de verdeling in tijdperken en – vooral – vergelijk je die inhoudsopgave met je eigen verwachtingen. Waarna je het boek leest met als leidraad datgene wat je al kent.

Beginnen bij het begin, dus. ‘Moeskops en zijn genie’ van Sem Smit. Moeskops was Pieter Moeskops, vijfvoudig wereldkampioen baanwielrennen in de jaren twintig. Sem Smit (1914-1944) was journalist voor onder meer Het Volk. Toen zijn stuk over Moeskops in december 1945 verscheen, leefde hij al niet meer.

Het is een prachtig verhaal: op lyrische toon doet Smit verslag van niet alleen de loopbaan van het natuurtalent Moeskops, maar ook van alle andere kwaliteiten van de wielrenner. Smit zoekt daarbij de grenzen van het hilarische op. Zo blijkt hij na zijn loopbaan ook de allerbeste chauffeur in de volgerskaravaan van de Tour de France – en ook de beste automonteur, alsmede een duivenmelker die zijn gelijke niet kende.

‘Moeskops en zijn genie’ is niet alleen om zijn kwaliteit een belangrijk verhaal in deze bloemlezing, maar ook omdat boven het stuk de geest zweeft van de aartsvader van de Nederlandse sportschrijverij, Joris van den Bergh. Die publiceerde al voor 1945 twee boeken: Te midden der kampioenen (1929) en De mysterieuze krachten in de sport (1941). In die boeken vestigde hij de aandacht op de psychologische aspecten van sportbeoefening, op wat veel later ‘tussen de oren’ zou gaan heten. In het eerste boek deed hij dat door één wielrenner te volgen tot in de kleinste details van zijn wedstrijdvoorbereiding, vanuit de overtuiging dat alles met alles moest samenhangen. Die renner was Pieter Moeskops. In zijn tweede boek werkte Van den Bergh zijn stelling in meer algemene termen uit. De invloed van dat boek, De mysterieuze krachten in de sport, op volgende generaties sportjournalisten is enorm geweest. Van den Bergh schreef niet alleen over de psychologie van de sporter, maar raakte ook aan het je ne sais quoi dat het verschil tussen winst en verlies maakt. Daarmee gaf hij de belangrijkste elementen aan voor wat er zou volgen: een grote aandacht voor de persoon van de sporter en ruim baan voor de verbeelding die vat probeert te krijgen op dat mysterie.

Kraantje Lek-rally

Eigenlijk zijn de verhalen in Sport de voetnoten bij het werk van Van den Bergh. En wat voor voetnoten! Alleen al in het eerste kwart van het boek heb je de schatten voor het uitkiezen: een als een thriller geschreven verhaal van Jan Lambrichs over bedreigingen in de Ronde van Spanje in 1946, W.L. Brugsma’s avonturen in de illegale Kraantje Lek-rally en een prachtstuk over Elias Canetti en schaker Bobby Fischer van Hans Ree. Theo Koomen laat het wielrennen van de jaren zestig al zien als een grote bende van zelfbenoemde apothekers op de fiets. Daarbij komt het werk van klassieke grootheden als Van den Bergh zelf, Willem Witkampf en Tom Pauka (een diep ontroerend verhaal over de ambities van een bokser die vooral dient als speelbal van de supersterren). En dan is er het komische genre, zoals het essay dat begint met de zin: ‘De moeilijkheid om een Elfstedentocht te volbrengen, wordt meestal overdreven voorgesteld.’ (Inderdaad, Godfried Bomans).

De beloning voor het lezen zonder inhoudsopgave is dus groot. Tot, nu een week geleden, het bericht kwam dat August Willemsen was overleden. Hij was niet alleen een fenomenaal vertaler van Portugese literatuur en de auteur van mooie boeken over zichzelf en Brazilië (zie ook pag. 13 van deze bijlage). Hij is de schrijver van De Goddelijke Kanarie, een lyrische, spirituele geschiedenis van het Braziliaanse voetbal. En van een artikel over de tragische en geniale rechtsbuiten Garrincha met de veelzeggende titel ‘God is rond’, opgenomen in zijn bundel De taal als bril uit 1987.

Ondanks alle goede voornemens toch de inhoudsopgave van Sport erbij gepakt.

Willemsen staat er niet in.

Dat is – genuanceerd uitgedrukt – een omissie. Want maar weinig stukken in Sport zijn beter. Willemsens portret van Garrincha is prachtig geschreven, waarbij hij het vertellen over sport naadloos laat overgaan in (soms polemische) cultuurgeschiedenis, getuige zinnen als ‘Graag wil ik hier mijn gal laten stromen over de imbeciele, demagogische gemeenplaats als zou voetbal een soort „opium voor het volk” zijn.’ Waarna Willemsen de voetballiefde van de Braziliaan in één moeite door verbindt met ‘een fond van kinderlijkheid’, die het makkelijk maakt dromen te projecteren op voetbalhelden.

En Garrincha was een kind op het veld: geniaal, maar niet te disciplineren. Ook daarbuiten was hij trouwens een kind. Hij stierf nog vóór zijn vijftigste na zijn lever tot het uiterste getart te hebben. Willemsen schrijft vooral over de liefde voor Garrincha, over ‘de haast religieuze definitie van de poëzie die Garrincha’s spel was’ en citeert dan Armando Norguiera: ‘God is rond’.

Zo laat hij iets zien van misschien niet de mysterieuze krachten in de sport, maar dan toch zeker het mysterie van de sportliefde. Dat heeft met plezier te maken, maar ook met schoonheid, poëzie en met religie.

Dat Van den Boogaard dit verhaal niet heeft opgenomen is des te vreemder omdat hij in zijn omvangrijke en erudiete inleiding juist nadrukkelijk wijst op ‘De Blik’ die een goed sportverhaal boven de rest doet uitstijgen, die blijk geeft ‘van een idee over het schrijven over sport’. Juist van die blik – op literatuur, op sport, op Brazilië, op de Bijlmermeer – geeft Willemsen nadrukkelijk blijk.

Zetfouten

De verleiding is groot om verder te gaan aan de hand van de inhoudsopgave (waar is Benjo Maso, schrijver van twee belangrijke wielerboeken in de afgelopen jaren?) of om te wijzen op het hoge aantal zetfouten in het boek. Maar gelukkig valt er nog veel te lezen, zoals het interview met keeper Stanley Menzo, geschreven door Frénk van der Linden: een angstaanjagend portret van een eenzame, veel te perfectionistische sporter. Of de reportage van Jan Donkers over bokser Mike Tyson – álle boksverhalen in de bundel zijn trouwens uitstekend.

Toch lijkt in de loop van het boek de spoeling dunner te worden. Dat is verrassend, want algemeen wordt de oprichting van voetbaltijdschrift Hard gras in 1994 beschouwd als het beste dat het betere sportverhaal in Nederland is overkomen. Het lijkt echter dat het indrukwekkende aanbod van goede stukken (uit Hard Gras en verschillende navolgers) Van den Boogaard ertoe heeft verleid wel heel ruim te kiezen uit het aanbod van de laatste dertien jaar. Meer dan de helft van de stukken in het boek is zo jong. En een abonnee van Hard gras kent ze vaak al. Bovendien lijkt een zekere volledigheidsdrang zich van de samensteller meester gemaakt te hebben. We lezen het dagboek van keeper Jan Jongbloed over het WK van 1974 én 1978, lange stukken over het WK 1994, het EK 1996, het WK 1990 en een handvol artikelen over het WK 1974. Waarbij de vlijmscherpe analyse van Ben de Graaf uit De Volkskrant van de dag na de verloren finale het interessantste is. Het vormt een prachtig paar met zijn juichende verslag van de gouden judomedaille die Anton Geesink haalde op de Olympische Spelen van 1964 in Tokio.

In de buurt van dat laatste stuk staan een paar verhalen die je met stomheid slaan, ongeveer met het effect van August Willemsens opstel ‘God is rond’. Die ook – in navolging van Joris van den Bergh – proberen de vinger te leggen op wat je het onzegbare in de sport zou kunnen noemen. Ze zijn van Nico Scheepmaker en ze gaan over hoe tijdens een tafeltenniswedstrijd een vlinder werd vertrapt, waarna een van de speelsters – die een beetje op een vlinder leek – tot grote hoogten steeg. En over de schrijfwijze van de naam van Nederlands beste voetballer aller tijden (y of ij, dat is de vraag). En zeer komisch over het zo precies mogelijk vastleggen van de honderdste goal van Ajax in een bepaald seizoen.

Het zijn stukken die op een wonderlijke droge manier toch heel ontroerend zijn, juist omdat ze in tegenstelling tot de meeste sportverhalen een beetje om de ontroering heen draaien. In het verhaal ‘Koning Voetbal’ doet Scheepmaker dat door in de derde persoon over een zekere ‘Scheepmaker’ te schrijven. Een man die die naar eigen zeggen ‘slechts zes keer tot tranen ontroerd werd bij het lezen van een prozawerk’ en die zich afvraagt ‘hoe het is te verklaren dat hij wel eens door Abe Lenstra verleid werd een traan op het asfalt te plengen’. Het antwoord op die laatste vraag heeft met Abe te maken, maar vooral ook met Scheepmaker zelf, met zijn vermogen om te kijken en je zijn blik te laten volgen.

August Willemsen: De Goddelijke kanarie. De Arbeiderspers, 303 blz. € 21,95