Een arme muziekreus zonder voorganger of opvolger

Andrew Barnett: Sibelius. Yale University Press, 445 blz. € 42,80

In het 50ste sterfjaar van de Finse componist Jean Sibelius (het lijkt eerder een viering dan een herdenking) mocht een nieuwe biografie natuurlijk niet uitblijven. Dit lijvige boek, een oogst van vele jaren onderzoek, blijkt interessanter te zijn voor de groeiende groep liefhebbers van deze componist dan voor liefhebbers en kenners van het genre van de biografie. Het is de eerste grote biografie sinds enkele decennia en bevat een schat aan nieuwe informatie, vooral omtrent composities die pas na Sibelius’ dood aan het licht kwamen.

Ook de minder heilige kanten van zijn persoonlijkheid worden nu zonder aarzeling onthuld, zoals zijn jarenlange armoede, zijn slechte omgang met geld, zijn alcoholverslaving en zijn soms penibele huwelijk. Tot hun beste jaren rekende zijn vrouw de periode waarin hij op doktersadvies stopte met roken en drinken. Vrijwel zijn gehele leven was hij, zo maakt Barnett onomstotelijk duidelijk, ondanks zijn status als de vader van de Finse muziek, een man die moeite had om rond te komen. Hij leefde van gelegenheidswerken die de eeuwigheid vaak niet zouden halen.

Wat wél de tijd doorstond, vormt maar een zeer klein deel van zijn oeuvre, zeker buiten Finland. Dit handvol nu nog bekende meesterwerken dat nu velen kennen, met name de symfonieën (vanaf de Derde) en het Vioolconcert, roept de vraag op wat er Fins is aan de muziek van deze man die van huis uit Zweeds sprak en pas later en met veel moeite een beetje Fins leerde.

Die vraag beantwoordt Barnett op een vreemd moment: als Sibelius’ werk nog ‘groen’ is en de elementen van zijn stijl pas in de kiem aanwezig zijn. Barnett vervalt gelukkig niet in Finse muzikale molens en klompen omdat hij daarmee identiteit en ook kunst zou degraderen tot een collectie herhaalbare kunstjes en eigenschappen. Maar helaas geeft hij niet aan hoe de Finse kunstmuziek zich verhoudt tot de Finse volksmuziek, noch hoe Sibelius zich verhoudt tot zijn voorgangers en opvolgers. Over de voorgangers kan hij kort zijn: ze waren er nauwelijks. Over de opvolgers ook: ze waren gedoemd tot een plek in de schaduw van een reus, zeker buiten Finland.

Barnett gaat ook niet in op de vraag waarom Sibelius de laatste decennia steeds aantrekkelijker wordt voor hedendaagse componisten, al laat het antwoord zich raden: niet het expliciet Finse karakter (dat soms door zijn uitgever bedacht werd uit commerciële motieven in tijden van oplopend nationalisme), maar de onderhuidse uitgangspunten van zijn werk waaraan componisten nu een eigen concretisering geven.

Ondanks deze lacunes en de ietwat saaie presentatie (aan de geschiedenis van het genre voegt het niets toe) is het boek een onmisbare vraagbaak inzake Sibelius’ leven en werk. Ook boeiender biografen kunnen niet zonder deze feiten.