‘Drugsgeld, dat weet toch iedereen’

Nog maar kort geleden wist in Guinee-Bissau vrijwel niemand wat cocaïne is. Nu is het een doorvoerroute voor de drug, zoals blijkt uit de toenemende rijkdom van sommige Guineeërs.

Politie in Senegal brengt een grote cocaïnevangst naar een verbrandingsoven. Foto AFP Gendarmes move a large part of the seized cocaine haul at a cement furnace in Rufisque near Dakar 02 August 2007 during the incineration of 2.475 tonnes of cocaine, seized in Senegal between the end of June and the beginning of July. The destruction of the haul worth 228.7 million euros took place at the Society for the Commercialization of Cement (Sococim) under tight security. AFP PHOTO / GEORGES GOBET AFP

Twee jaar geleden wist niemand wat het was. De schoolkinderen die hielpen bij het uitladen van de vliegtuigjes wisten dat het van ver kwam. De vissers die het in hun kano meenamen wisten dat het droog moest blijven. De jongens van de voetbalclub wisten dat het een soort kalk was waarmee je het voetbalveld kon afbakenen. Maar waar het precies voor diende, bleef in nevelen gehuld. Voor koken was het in ieder geval niet bedoeld: de dorpelingen die het door hun soep roerden, proefden er niets van.

Toen kwamen de geruchten op gang. Over Colombianen. Over cocaïne. Een drug die zo kostbaar is dat soldaten soms hele dorpen arresteren om te zien of vissers en cashewboeren het niet stiekem verstoppen. De hoofdstad Bissau heeft geen stoplichten en telt maar één tweebaansweg, maar op die weg verschijnen wel steeds meer buitensporig dure auto’s. En er worden tegenwoordig ware paleizen uit de grond gestampt.

Zoals hier, in een stoffige laan met knoestige bomen die eindigt bij de begraafplaats vijftien kilometer verderop. Tegenover een huis met een strooien dak laat het hoofd van de marine van Guinee-Bissau een witgepleisterde villa bouwen. De satellietschotel is al vastgeschroefd, de rode dakpannen liggen klaar. De buurtbewoners denken er het hunne van. „Drugsgeld”, mompelen ze. Hoe ze dat weten? Bissau is klein, net een dorp. Iederéén weet dat.

De Verenigde Naties winden er geen doekjes om. De voormalige Portugese kolonie Guinee-Bissau dreigt een narcostaat te worden, zegt het VN-bureau voor Drugs en Misdaad (UNODC). Latijns-Amerikaanse drugskartels gebruiken het landje steeds vaker als doorvoerhaven voor cocaïne die bestemd is voor de Europese markt.

Volgens Interpol komt tegenwoordig minstens tweehonderdduizend kilo coke Europa binnen via West-Afrika, tweederde van alle cocaïne die jaarlijks naar Europa wordt gesmokkeld. Vooral Spanjaarden en Nederlanders vinden het steeds normaler om een lijntje te nemen. Het aantal inbeslagnames in West-Afrika stijgt navenant: in Senegal en in Mauretanië onderschepte de politie dit jaar honderden kilo’s cocaïne.

Maar slaperig Guinee-Bissau baart de internationale drugsbestrijding de meeste zorgen. Het heeft een grillige, verlaten kustlijn en een grote eilandengroep waar vliegtuigen en boten ongezien kunnen landen. Er is de Portugese connectie: vanuit Brazilië is het makkelijk te bereiken, ook met kleine vliegtuigen. Met een bevolking van 1,4 miljoen is het een van de armste landen ter wereld. Het heeft een zwak justitieel apparaat. Zo zwak dat eind vorig jaar een rechter bereid werd gevonden twee Colombiaanse cocaïnesmokkelaars op borgtocht vrij te laten die kort daarvoor waren gearresteerd. Interpol vond dat ze het land uitgezet moesten worden. Een van de Colombianen had vijf jaar in de gevangenis gezeten in Amerika wegens drugssmokkel en werd verdacht van banden met de Colombiaanse rebellenbeweging FARC. Op hun logeeradres trof de politie geld en wapens aan, plus een tekening waarop legerofficieren en regeringsfunctionarissen al dan niet als potentiële handlangers stonden aangekruist. En dan was er nog het geval van de 674 kilo onderschepte cocaïne die spoorloos uit de kluis van het ministerie van Financiën verdween.

Sommige Guineeërs balen ervan dat hun land een slechte naam krijgt. Anderen halen hun schouders erover op: de drugs zijn onzichtbaar, ze worden alleen maar doorgevoerd. Zelf moet de bevolking er niets van hebben. Vissers en boeren kauwen liever op geestverruimende planten.

Guinee-Bissau is een trots land dat na een heldhaftige guerrillaoorlog tegen Portugal nog maar zelden het wereldnieuws haalde. De onafhankelijkheid in 1974 bracht socialisme, lege winkels en uiteindelijk een staatsgreep die president Joao ‘Nino’ Vieira in het zadel hielp. Een periode van economische groei in de jaren negentig kwam vooral op het conto van cashewnoten, Guinee-Bissau’s enige exportproduct.

Na een even bizar als bloedig oorlogje met de stafchef van het leger vluchtte Vieira in 1999 naar Portugal. Twee verkiezingen later was hij weer terug. De donorlanden hadden Guinee-Bissau toen al in de steek gelaten uit ergernis over het wanbeleid van Kumba Yala, een stevige drinker die er een sport van maakte ministers te ontslaan. Vieira is geen man van het volk, maar hij garandeert een minimum aan stabiliteit.

De strijd tegen de drugsmaffia wordt gevoerd vanuit een donkerroze gebouw waar het trage getik van een typemachine door de open ramen naar buiten zweeft. De recherche in Guinee-Bissau heeft geen pistolen, geen auto, geen telefoons.

Op de vraag waar de op borgtocht vrijgelaten Colombianen zijn gebleven, slaat hoofd van de recherche Lucinda Ahukarié met de knokkels op tafel. „God mag het weten”, zegt ze met een zucht. „Ze kunnen overal zijn. We hebben minstens tien Colombianen in de stad. Geen klein spul, nee. Zware jongens.”

Wat er is gebeurd met de twee Guinese officieren die met de Colombianen samenwerkten, weet ze wél. „Die zitten nog in het leger.” Ahukarié geeft toe dat er aanwijzingen bestaan dat het leger en de marine bescherming bieden aan drugssmokkelaars. Zeker, de villa van marinebaas Americo Bubo Natchuto, en ook het paleis-in-aanbouw van de stafchef van het leger, Baptista Tagme Na Way, heeft ze gezien. „Vroeger waren de enige mensen die geld hadden zakenmensen en ministers. En lang niet alle ministers, de meesten hadden niet eens een auto. Natuurlijk valt het op. Maar we kunnen iemand niet aanhouden omdat hij een groot huis bouwt. Zonder bewijs kunnen we niets.” Zelfs mensen vasthouden is niet eenvoudig. ’s Lands enige gevangenis werd aan puin geschoten tijdens het gewapende conflict van 1998.

Hulp lijkt onderweg. De Portugese recherche gaat les geven in opsporingsmethodes. Half december wordt in Lissabon een donorconferentie gehouden waarbij het drugsprobleem van Guinee-Bissau centraal staat. Het VN-bureau voor Drugs en Misdaad heeft een plan van 19 miljoen dollar opgesteld dat politie en justitie weerbaarder moet maken in het opsporen en berechten van drugssmokkel. Ze krijgen voertuigen en communicatiemiddelen, en in Bissau moet volgend jaar een nieuwe gevangenis worden gebouwd.

Het is een plan dat lof verdient, zegt een waarnemer van UNOGBIS, de piepkleine politieke VN-missie die sinds acht jaar in Bissau is gestationeerd. Maar het zou beter zijn als de donorlanden de rest ook aanpakten. „Zonder economische ontwikkeling geen veiligheid, geen sterke staat”, zegt de VN-waarnemer. „Dit land is al zó lang arm. Drugskartels gedijen bij armoede, bij chaos. Als je alleen naar de juridische aspecten van drugsbestrijding kijkt en niet naar de context waarin de smokkel heeft kunnen ontstaan, werkt het nooit. Drugs zijn een manier geworden om geld te verdienen. De meeste mensen keuren het nog steeds af, maar cocaïne begint stiekem fundamentele noties over goed en kwaad te ondermijnen.”