De menseneter en z’n gedrilde zoon

Ischa Meijer had een beroerde relatie met zijn vader. Wie was die vader?

Evelien Gans schreef een epos dat een plaats verdient naast Pressers ‘Ondergang’.

Met recht luidt de ondertitel van de dubbelbiografie van Evelien Gans over vader en zoon Jaap en Ischa Meijer ‘een joodse geschiedenis’. Alle facetten van het Nederlandse jodendom in de 20ste eeuw komen aan bod in deze rijk gedocumenteerde en meeslepend geschreven studie. Hoewel de schrijfster haar focus voortdurend gericht houdt op vader en zoon Meijer, boekstaaft zij onderwijl de lotgevallen van hen die de Holocaust niet overleefden of na de oorlog geconfronteerd werden met antisemitisme dan wel onverschilligheid.

Het is een groot verschil of je algemene studies over de jodenvervolging leest of een verhaal als dat van Evelien Gans, die als het ware meereist op het transport dat de familie Meijer van Westerbork naar Bergen-Belsen voerde, baby Ischa in een reistas op schoot. Talrijke ooggetuigen die met de Meijers het kamp overleefden komen aan het woord en de vele witte plekken die altijd voor iedere biograaf blijven bestaan, vulde ze in met behulp van een indrukwekkende hoeveelheid literatuur.

Uit het werk van schrijver en journalist Ischa Meijer (1943-1995) was bekend dat de relatie tussen vader en zoon belabberd en uiteindelijk non-existent was. Toen Ischa, twee jaar na zijn ouders, op zijn 52ste verjaardag overleed, konden we alleen nog maar gissen naar de oorzaken van de breuk. In deel 1 van Evelien Gans’ dubbel-biografie, die eindigt met Ischa’s bar mitswa in februari 1956, worden vele tipjes van de sluier opgelicht. Jaap Meijer (1912-1993) is dan juist overspannen teruggekeerd van een tweejarig verblijf in Suriname.

Waarom de veelbelovende historicus Jaap Meijer in 1953 uitweek naar Suriname om daar leraar te worden, was voor velen een raadsel. Als hij weg wilde uit angst voor de Koude Oorlog, waarom is hij, als zionist, niet naar Israël uitgeweken? Gans komt er niet helemaal achter, maar laat zien dat de door zijn oorlogservaringen zwaar beschadigde Meijer altijd op de vlucht was. In Nederland kon hij ondanks zijn vaste baan als leraar en zijn gewaardeerde inspanningen voor de joodse wetenschap zijn draai niet vinden. Een ruziezoeker. Waar hij zich vertoonde raakte hij verzeild in conflicten, belangrijke opdrachten zoals het schrijven van de geschiedenis van de gedeporteerde Nederlandse joden (later volbracht door Jacques Presser in Ondergang) liep hij door eigen schuld mis en bovendien werd hij beschuldigd van het ontvreemden van kostbare boeken en handschriften uit de bibliotheek van de Portugese Synagoge. Het lijkt erop dat hij door de joodse gemeenschap min of meer was uitgekotst. Ook in Suriname maakte de overambitieuze joodse purist zich niet geliefd. Binnen een mum van tijd wist hij alle intellectuelen in Paramaribo om zich heen te verzamelen om hen even snel weer van zich te vervreemden. Zaten de tomeloze eerzucht, de geldingsdrang, de verongelijktheid in het karakter van de in Winschoten geboren Jacob Meijer of waren het eigenschappen die de boventoon zijn gaan voeren als gevolg van zijn dramatisch verlopen leven?

Dat deze zoon van een vrome joodse marskramer en een dienstbode buitengewoon talentvol was, bleek al op de lagere school, waar hij op zijn tiende uit de klas gehaald werd omdat zijn vader was overleden. Op kosten van de joodse gemeenschap vertrok hij als dertienjarige naar Amsterdam om aan het Nederlands Israëlitisch Seminarium een opleiding tot godsdienstonderwijzer te volgen. Hij heeft zijn afkomst nooit verloochend, zoals blijkt uit zijn in Gronings dialect geschreven gedichten over zijn jeugd en waar Gans rijkelijk uit citeert. Maar in Amsterdam was hij met zijn Groningse accent een ‘buitenpoep’, een eenzame jongen die op onverwarmde kamertjes in de jodenbuurt woonde en voor zijn avondeten was aangewezen op elke dag een ander gastgezin. Jaap Meijer was een zogenaamde ‘Täg-esser’, een ‘menseneter’ zoals hij het zelf noemde.

In weer een totaal ander milieu kwam de vrome ‘buitenpoep’ terecht toen hij na zijn opleiding aan het seminarium geschiedenis ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam, in aanraking kwam met het zionisme en zijn toekomstige echtgenote Liesje ontmoette. Zij was de dochter van de sociaaldemocraat Ies Voet, voorman van de diamantbewerkersbond ANDB en als zodanig behorend tot de joodse arbeidersaristocratie. In dit rode gezin werd de ‘halve rabbijn’ Meijer niet van harte verwelkomd als aanstaande van de mooie Liesje.

Ze trouwden op 20 juni 1940, waar Jaap aan het Joods Lyceum aan onder anderen Anne Frank les gaf en ondertussen zijn bakkersdiploma haalde. Naar eigen zeggen heeft het bakkersvak hem in Bergen-Belsen het leven gered, omdat hij in de keuken kon werken. Waarom hebben Liesje en hij na enkele mislukte vluchtpogingen niet geprobeerd onder te duiken? Dat is onopgehelderd, al draagt Gans plausibele verklaringen aan, zoals Jaaps weerzin tegen afhankelijkheid en het vooruitzicht voortdurend in angst te moeten leven.

Toen in februari 1943 hun zoon Ischa, voluit Israël Chajjiem (‘Israel leeft’), ter wereld kwam waren de deportaties in volle gang. Ischa’s oma van vaders kant was op dat moment al drie maanden dood: vergast in Sobibor. Jaap en Liesje werden met hun drie maanden oude baby en diens opa in juni naar Westerbork gevoerd, vanwaar Ies Voet op 6 juli op transport ging naar Sobibor. Op 9 november 1943 is ook hij daar vergast.

De beschrijving van het verblijf van de Meijers in Westerbork snoert je de keel: een catalogus van de angsten om te worden aangewezen voor het volgende transport, de opluchting als dat niet zo bleek te zijn, de zelfmoorden van hen die de spanning niet aankonden, maar ook het blije weerzien met oude bekenden die er ‘nog waren’, de vitaliteit, de seksuele uitspattingen, het leven dat doorging, op zijn minst tot het volgende transport. Op 15 februari waren de Meijers aan de beurt voor Bergen-Belsen.

Ze hebben het overleefd, maar vraag niet hoe. ‘Creperen in een Vorzugslager’, heet het aangrijpende hoofdstuk dat Gans aan dat helse jaar daar wijdt. Indringend maar zonder pathos noteert Gans de gruwelen. En daardoorheen geweven voortdurend de overlijdensdata van mensen die we het hele boek door, vanaf Winschoten en het Amsterdamse Seminarium, op de voet hebben gevolgd. Gans komt de verschrikkelijke dagelijkse werkelijkheid van het kamp nabij. Moeiteloos verbindt zij intussen Meijers intellectuele ontwikkeling, zijn afkeer van de joodse emancipatie en assimilatie, zijn kritiek op en medewerking aan de Joodse Raad en zijn niet aflatende interesse voor de joodse geschiedenis met zijn overlevingsdrift.

Na de oorlog houdt zijn levensdrift hem op de been, maar ten koste van wat? De peuter Ischa die Duitse bevelen schreeuwend uit het raam staart, wordt straal genegeerd. Voor zijn later geboren dochter Mirjam en zoon Job toont hij nauwelijks belangstelling en zijn verweesde, overspelige echtgenote laat hij aan haar lot over.

Aan het slot van het eerste deel van dit magnifieke epos, dat een plaats verdient naast Pressers Ondergang, is Jaap Meijer een gebroken man. De zoon, een gedrilde joodse jongen, staat dan aan het begin van zijn volwassen leven. Een leven dat alleen te begrijpen valt in het licht van de hier even meedogenloos als liefdevol beschreven Werdegang van de vader.

Een portret van de Meijers op www.vpro.nl/ischa

Evelien Gans: Jaap en Ischa Meijer. Een joodse geschiedenis. 1912-1956. Bert Bakker, 709 blz. € 39,–