De klimaathypotheek als redding

Wat er ook uit de klimaattop op Bali komt, zeker is dat de wereld CO2-vrije energiebronnen nodig heeft én fors op energie moet besparen. Drie boeken onderzoeken de mogelijkheden.

A. Bakas en R. Creemers: Leven zonder olie.Scriptum, 200 blz. € 19,95

Michael Braungart en William McDonough: Cradle to cradle afval = voedsel. Scriptum, 237 blz. €19,90

Jos Wassink: Energierevolutie. Veen Magazines, 296 blz.€ 22,50

De uitstoot van klimaatverstorende gassen loopt de spuigaten uit. Chinezen bouwen eens in de tien dagen een nieuwe kolencentrale, CO2- kanonnen bij uitstek. Opgezweept door de olieprijs stijgt de vraag naar kolen de komende dik twintig jaar met bijna driekwart. Dat voorspelt het Internationaal Energie Agentschap, dat de energiemarkt in kaart brengt. Tot 2030 zal ook het aantal auto’s ruimschoots verdubbelen van 900 miljoen naar 2,1 miljard. De jaarlijkse CO2-uitstoot is tegen die tijd met ruim de helft toegenomen.

Tot 14 december onderhandelen VN- lidstaten op Bali over een verdrag ter vervanging van het Kyotoprotocol, een verdrag dat van lidstaten emissiebeperkingen eist. ‘Kyoto’ loopt af in 2012. De Amerikaanse president Bush heeft aangegeven dat hij niet akkoord gaat met dwingende beperkingen van de CO2-uitstoot. En landen als India en China lijken niet van plan om hun groei met gedwongen emissiebeperking af te remmen.

Toch moet de uitstoot van broeikasgassen volgens de meeste klimaatwetenschappers omlaag. Een reductie met 30 procent per jaar zou de temperatuurstijging beperken tot een relatief veilige twee graden Celsius – nog geen garantie voor het uitblijven van klimaatrampen.

Een stijging van ruim 50 procent in de mondiale uitstoot van broeikasgassen moet dus worden omgebogen naar een daling van 30 procent. Geen wonder dat het woord revolutie veelvuldig valt in drie recente boeken over het klimaatprobleem. De wereld heeft CO2-vrije energiebronnen nodig en zal tegelijkertijd fors op energie moeten besparen.

De opties zijn talrijk. Zonnepanelen, zonnecollectoren, kerncentrales, windmolens in zee, CO2-absorberend olivijn op onze stranden, CO2-opslag in Limburgse mijnen, grootschalige algenkweek, zeppelins, auto’s met batterijen, auto’s op alcohol, beter geïsoleerde huizen, elektriciteit uit koeienmest, uit vliegers en uit golfslag.

Het duizelt de lezer. Hoe te kiezen en waar te beginnen? We moeten alle mogelijke middelen inzetten, schrijft wetenschapsjournalist Jos Wassink in Energierevolutie. In een slordige twintig reportages bezoekt Wassink Nederlandse laboratoria en kleine bedrijfjes in de duurzame technologie. Wetenschappelijk en technisch interessant, maar vooral de kleine schaal van de projecten valt op.

Wassink rekent voor dat half Nederland van stroom valt te voorzien als de provincie Drenthe wordt volgebouwd met boerenbedrijven die elektriciteit winnen uit koeienmest. In werkelijkheid staat vlakbij Stadskanaal een installatie die net genoeg energie levert voor een klein dorp. En die energie is veel te duur.

Ook zonne-energie is nog kleinschalig en duur. Zonthermische centrales op één procent van ’s werelds woestijnoppervlak kunnen de hele wereld van elektriciteit voorzien. Maar energie uit kolencentrales is drie keer goedkoper. ’s Werelds grootste zonnecentrales in Nevada en binnenkort Andalusië leveren nog geen tiende van het vermogen van een kolengestookte elektriciteitscentrale.

Energiebedrijven zouden belast moeten worden voor hun CO2-uitstoot, maar dat gebeurt wereldwijd nog niet of nauwelijks. Alleen de Europese Unie kent sinds begin 2005 een systeem van emissierechten voor een deel van het bedrijfsleven. Probleem is dat EU-lidstaten zelf het recht hebben gekregen om die emissierechten uit te delen. Er zijn er te veel. De emissiebeperkingen doen nog nauwelijks pijn, al claimt Greenpeace dat Nuon de bouw van een kolencentrale in de Eemshaven heeft uitgesteld wegens de kosten van emissierechten.

In het wetenschappelijk tijdschrift Nature legde Steve Rayner van de universiteit van Oxford onlangs uit waarom het kwakkelen zal blijven met de betaling voor CO2-uitstoot, in welke vorm ook. Een prijs die echt pijn doet zullen politici hun autorijdende kiezers niet aan te durven doen, denkt hij. Volgens Rayner kunnen de prijzen van duurzame energie sneller omlaag worden gebracht met grootschalige overheidsinvesteringen in wetenschappelijk onderzoek en industriële ontwikkeling van duurzame energie. Het lijkt mooi, zo’n Marshallplan voor energie, maar het betekent dat overheden – en niet de markt – moeten kiezen welke technologie de meeste potentie heeft. En dat is niet zo makkelijk.

Misschien zijn rampen nodig om schot te krijgen in de energierevolutie. Het VN-klimaatpanel IPCC waarschuwt in zijn rapporten voor hittegolven, droogtes, verdwijnende koraalriffen, overstromingen en intensere tropische cyclonen. Maar klimaatwetenschappers blijven uiterst voorzichtig met het leggen van directe verbanden tussen de opwarming van de aarde en concrete natuurrampen, zoals de cycloon Sidr in Bangladesh. De fatalistische trekjes in klimaatscenario’s van het VN-klimaatpanel IPCC dwingen ook niet tot daadkracht. Wassink legt uit dat de CO2-concentratie in de atmosfeer in 2030 zal zijn opgelopen met dik 15 procent, of we nu zware maatregelen treffen of niet. Snel ingrijpen nu zet pas vanaf 2050 zoden aan de dijk.

Kan duurzame energie dan misschien zichzelf bedruipen, zonder Marshallplan of torenhoge CO2-belasting? Trendwatchers Adjiedj Bakas en Rob Creemers denken van wel. In Leven zonder olie voorspellen zij een vergroening van het bedrijfsleven, vooruitlopend op substantiële koolstofbelasting en emissienormen. Het bedrijfsleven zal volgens hen gaan profiteren van het milieuschuldbewustzijn van de consument. Groene stroom en klimaathypotheken zijn meer dan window dressing, geloven Bakas en Cremers. Ze beschrijven de mislukking van de milieuvriendelijke benzine Shell Pura, maar voegen eraan toe dat de wereld verandert: groen gaat zichzelf verkopen.

Wie niet dagelijks de krant spelt kan zich door Bakas en Creemer fluks laten bijspijkeren in de klimaatproblematiek. Bakas en Creemers gebruiken beeldende woorden als ‘broeikaskanon’ en ze hebben oog voor pregnante feiten, maar ze zijn erg optimistisch. Dat de consument voor het klimaat nog steeds niet makkelijk over de brug komt, ontdekte bijvoorbeeld Ryanair. Zonder veel succes heeft deze vliegmaatschappij geprobeerd passagiers op Eindhoven Airport vrijwillig te laten betalen voor de uitstoot van broeikasgassen tijdens hun vlucht. Ryanair heeft ondertussen fel maar tevergeefs geprotesteerd tegen toekomstige emissiebeperkingen voor Europese luchtvaartbedrijven.

Beperking van de uitstoot van broeikasgassen hoeft niet gierend duur te zijn. In de bouwsector kan het op een koopje. Volgens het IPCC kan de uitstoot van broeikasgassen bij bouw en gebruik van kantoren en huizen met 30 procent omlaag. Dat levert nog geld op ook. Het is een interessante optie, want de bouwsector is goed voor acht procent van de mondiale emissies van broeikasgassen (transport komt op 13 procent).

In de Nederlandse vertaling van Cradle to Cradle pleiten de Duitse biochemicus Michael Braungart en de Amerikaanse architect William McDonough voor de bouw van huizen en kantoren die meer energie opleveren dan ze verbruiken. Als McDonough een presentatie houdt voor architecten, dan vraagt hij hun doorgaans waar het zuiden ligt. Ze weten het vaak niet en dat is vreemd, want de positie van de zon is toch een cruciaal uitgangspunt voor het ontwerp van een huis. Een dak op het zuiden is efficiënt te bedekken met zonnepanelen of -collectoren. Braungart en McDonough hebben een voorkeur voor daken met gras of andere begroeiing. Een grasdak houdt ’s zomers de warmte buiten en biedt ’s winters bescherming tegen koude wind.

Het inspirerende Cradle to cradle behelst meer dan huizenbouw alleen. Bedrijven moeten producten ontwerpen die kunnen worden hergebruikt, in de natuur of in een nieuw product. In het tweede geval staat een product aan de wieg (cradle) van een nieuw product, in plaats van dat het wordt afgedankt – van wieg tot wieg dus, in plaats van van wieg tot graf. Dit soort kringlopen kan een oplossing bieden voor broeikasgassen. Braungart en McDonough opperen om CO2 uit de auto-uitlaat af te vangen en te verwerken tot ‘carbon black’, een bestanddeel van rubberbanden.

De Amerikaanse uitgave van Cradle to cradle is meer dan vijf jaar oud, maar lijkt in Nederland sinds kort aan te slaan. Verschillende gemeenten en grote bedrijven als als Océ zijn ermee aan de slag. Frans Rooijers, directeur van het milieuonderzoeksbureau CE Delft, vindt dat opdrachtgevers moeten oppassen met het in detail voorschrijven van deze aanpak. Neem de grasdaken. Onder het gras is volgens Rooijers een laag bitumen nodig, om te voorkomen dat het dak gaat lekken. Misschien is het beter om het dak vol te leggen met zonnepanelen.

Volgens Braungart en McDonough valt met slim ontwerp ook veel te besparen op de airconditioning, energieslurper nummer één in kantoorgebouwen. Een gebouw dat natuurlijke luchtstromen binnenlaat heeft soms niet of nauwelijks airconditioning nodig. In sommige huizen in het Midden-Oosten wordt dit concept allang toegepast.

Volgens Rooijers mag het kringloopdenken van Cradle to cradle geen dogma worden. Braungarter en McDonough propageren hergebruik van plastics, maar recyclen kan soms zo veel energie kosten dat het klimaat er niet bij gebaat is. Plastic afval wordt in Nederland nu verbrand. Onelegant misschien, maar wel een efficiënte manier om energie te winnen uit producten die van aardolie zijn gemaakt.