Dames, lak toch uw teennagels!

Vrouwen boven de vijftig mogen voortaan brutaal en zelfbewust zijn, aldus recent verschenen stijlgidsen. Maar over welke vrouwen hebben de auteurs het?

Joyce Roodnat: Een kwestie van lef. Stijlgids voor vrouwen tussen de 40 en de 60+. Contact, 224 blz. € 25,--

Nora Ephron: Wat baal ik van mijn hals en andere gedachten over vrouw-zijn. Contact, 173 blz. € 14,90

Louise Boelens: Vrouwen van vijftig. Archipel, 231 blz. € 16,95

Ai. Had ik net mezelf voor de aankomende stormen getroost door een prachtige lap zwart- roze tweed te verwerken tot een heerlijk comfortabel jasje, zo’n jasje waarin je wind, regen en hagel behaaglijk doorstaat en er nog mooi uitziet ook, of ik lees bij Joyce Roodnat dat ‘tweed alleen raadzaam is voor Engelse buitenluchtdames met minstens één hond’. Gelukkig staat ze ons in haar ‘stijlgids’ ook toe eigenzinnig te zijn, dus daar klamp ik me maar aan vast.

Die ‘we’ voor wie Roodnats adviezen zijn bedoeld, zijn blanke vrouwen ‘van een zekere leeftijd’, zoals dat vroeger heette; gezond, dat vooral, en met een goed salaris – een nogal ruime categorie, die Roodnat ‘de rijpere vrouw’ noemt. Met dat ‘rijper’ moeten we blij zijn, luidt de boodschap, want hoe rijper, hoe interessanter en ook hoe mooier, al vergt dat laatste behalve een handleiding van dik tweehonderd bladzijden ook alle dagen een flinke tijdsinvestering.

Nora Ephron, beroemd van filmscripts als When Harry Met Sally, beschrijft in haar vertaalde bundel Wat baal ik van mijn hals, deprimerend nauwkeurig hoe het onderhoud steeds meer tijd rooft. Waren eerst alleen kapper, schoonheidsspecialiste en fitness levensvoorwaarden, weldra kunnen wij ons ook niet meer vertonen zonder eerst pedi- en manicure te hebben bezocht. En dan zwijgen we nog maar over diëten, botox en snijwerk.

Veel van Roodnats aanbevelingen zijn bekend uit de drogisterijfolders (breng de oogschaduw aan vanuit de buitenste ooghoek), of uit de health-glossy waaraan mijn ziektekostenverzekeraar mijn premie vergooit (alcohol en nicotine bevorderen rimpels). Andere zijn van een verbluffende banaliteit: ‘Op afgetrapte schoenen oog je altijd onverzorgd’ en zorg dat je niet stinkt. De toon is monter: ‘we’ zijn niet zuur en niet verbitterd en houden ons immer groot.

Keurslijf

Het opgewekte uitgangspunt dat ook oudere vrouwen leuk kunnen zijn en dat het leven misschien toch de moeite waard blijft, kan echter niet verhullen dat Roodnats fraai verzorgde stijlgids toch past in een traditie: de traditie dat vrouwen elkaar onder het mom van goede raad ringeloren en kleineren. Je krijgt (door meestal geslaagd uitziende vrouwen) een keurslijf opgedrongen en zie je er voortaan niet pico bello uit, dan is dat je eigen schuld. Van Amy Groskamp-Ten Haves onbetwistbare waarheid dat ‘noch fraaie kleeren, noch juweelen, geld of goed van een zoutzak een pittige persoonlijkheid kunnen maken’ tot de discutabeler stelling van Ageeth Scherphuis, in een adviesboek uit de prefeministische jaren zestig, dat men nooit meer dan twee kleuren mag combineren, is vrouwen duidelijk gemaakt dat wat ze in hun werk presteren zijn waarde verliest als ze niet super-aantrekkelijk zijn. ‘Lak altijd uw teennagels, ook al ziet niemand uw voeten,’ las ik bij Roodnat op de dag dat Doris Lessing ontspannen op de stoep van haar huis de vragen over haar Nobelprijs zat te beantwoorden.

Ook psychologe Louise Boelens publiceerde een adviesboek voor en over vrouwen boven de vijftig, en net als bij Roodnat is ‘lef’ haar sleutelwoord. Maar waar Roodnat het over de juiste tint lippenstift heeft, liggen Boelens’ aanbevelingen vooral op het kwebbel-psychologische vlak. Ergerlijk is dat Boelens consequent spreekt over ‘wij’ en de lezeres zodoende dwingend indeelt bij een ‘wij’ waarbij in elk geval ik helemaal niet wil horen, omdat ik me dan, bijvoorbeeld, moet bezighouden met ‘heksenenergie’. Het vrouwenleven bij Boelens kent kennelijk geen ingrijpender ervaringen dan die waarmee zij haar boekje legitimeert: het ‘ingrijpende besef’ dat je ‘niet meer bij de jongeren hoort’. Ach toch. Maar niet getreurd: ‘we blijven groeien’, ook na ‘onze’ vijftigste verjaardag.

Hormonale levensloop

Door de lezeressen op te roepen ‘lef’ te hebben, pretenderen Boelens en Roodnat een nieuwe kijk te bieden. Terwijl postmenopauzale vrouwen tot nu toe waren veroordeeld tot een timide plekje in de samenleving, mogen ze voortaan brutaal, assertief en zelfbewust zijn. In feite is hun uitgangspunt heel ouderwets: het bestaan van vrouwen wordt als vanouds gedetermineerd door hun hormonale levensloop. Veranderingen daarin gelden, net als vroeger, als breekpunten in het ganse leven. Terwijl mannen worden geacht zich op hun bestaan te heroriënteren na rampen als een ontslag of hartinfarct, moeten vrouwen dat louter om een verjaardag.

Wat vind ik het jammer dat auteurs als Roodnat en Ephron hun schrijftalent verspillen aan werk waarin vrouwen als vanouds tot louter sekse worden gereduceerd. Dat dit sekse-regime nu ook op oudere vrouwen van toepassing wordt verklaard is een twijfelachtige vooruitgang. We hebben nu te maken met de eerste generatie vrouwen die zich op middelbare leeftijd nog op de arbeidsmarkt bevindt in plaats van onzichtbaar thuis te zitten. Wat zou het aardig zijn geweest als de schrijfsters ons aan het lachen hadden gemaakt over de inspanning om vrolijk en energiek je werk te doen terwijl de opvliegers van je voorhoofd druipen, of met enige scherpte de sociale ongelijkheid en dwang van die opgave hadden geanalyseerd. Nu blijven vrouwen, om Virginia Woolf te citeren, ‘the most discussed animal’ van het universum.

En dat door eigen toedoen. Ephron weet bladzijden lang te vullen over de kwestie ‘Oudere-Vrouwenhals’ – niet geestig, niet erudiet, overbodig. Boelens schotelt je clichés voor over de ‘meditatieve wijsheid’ van oudere vrouwen. Bij Roodnats voorschrift om nooit zonder make-up de deur uit te gaan, zag ik het prachtige onopgemaakte gezicht voor me van dichteres Judith Herzberg.

Af en toe ontsnapt Roodnat aan het zelfopgelegde kader ‘stijlgids’. Dan noteert ze juweeltjes: ‘Haar plaats is dienstbaarheid. Haar wraak is chagrijn.’ Inderdaad: tegen chagrijn kan een mens (m/v) nooit genoeg worden gewaarschuwd.