Bevrijding in New Orleans

Een nieuwe biografie van dichter Hans Lodeizen laat zien hoe zwaar een jonge homoseksueel het had in de jaren veertig.

Koen Hilberdink: Hans Lodeizen. Biografie. Van Oorschot, 287 blz. €19,50

Poëzie leeft niet meer onder jonge mensen. Deze verzuchting hoor je vaak uit de mond van serieuze poëzieliefhebbers, maar wordt gelogenstraft als je rondkijkt op de Nacht van de Poëzie of op poetry slams. Om maar te zwijgen van hiphop, singer-songwriters en de weer in populariteit groeiende kleinkunstliedjes. Het idee dat poëzie haar beste tijd gehad heeft kun je alleen volhouden als je één bepaald soort poëzie bedoelt: de canonieke, ‘volwassen’ poëzie op schrift, die door critici en de, meestal oudere, liefhebbers omarmd wordt.

Er is een grote kloof ontstaan tussen deze, bijna specialistisch geworden tak van literatuur en de heterogene poëzie die buiten de canon overal opduikt – en met veel succes. De gedichten van Hans Lodeizen bevinden zich precies tussen deze twee werelden: met de tragische, vroege dood van de dichter – hij stierf op zijn 26ste aan leukemie – die worstelde met zijn coming out is zijn werk bijna het symbool geworden van jonge en heftige romantiek. En in die hoedanigheid blijft Lodeizen elke nieuwe generatie aanspreken. Zo verwerkte fanfarepunkband De Kift teksten van Lodeizen in hun muziek.

Aan de andere kant behoort Hans Lodeizen tot de canon, maar de hoeders daarvan lijken niet helemaal te weten wat ze met hem aanmoeten. Hier heten zijn gedichten ‘adolescent’ en ‘poëzie voor beginners’.

In de net verschenen biografie van literatuurwetenschapper (en Rodenko-biograaf) Koen Hilberdink is deze ambivalente houding goed te merken. De achterflap kondigt aan dat het standaardbeeld over Lodeizens werk, ‘weemoedige poëzie die het goed doet bij dolende pubers’, door Hilberdink bijgesteld zal worden. Dat is helaas niet gelukt. Hilberdink zegt opvallend weinig over de poëzie van zijn hoofdpersoon, maar concentreert op diens leven.

De gedichten die literatuurwetenschapper Hilberdink wel aandacht geeft zijn de sterk autobiografische, en dat zijn niet Lodeizens sterkste. Zo schreef die over zijn grote maar onbeantwoorde liefde, de Argentijns-Amerikaanse student Seldon James, de volgende vrij letterlijke weergave van wat tussen hen beiden was voorgevallen: ‘Met New Orleans/ Gaf ik Seldon een laatste kans:/ Hij is niet meegekomen./ Ah! als hij kon dromen/ Wat ik allemaal heb gedaan/ Omdat hij niet is meegegaan!/ In vier dagen heb ik meer geleefd/ Dan Seldon heel zijn leven heeft…/ Maar ik zal teruggaan,/ Onschuldig voor hem staan/ En zeggen: Seldon, New Orleans,/ Men spreekt er engels, spaans en frans…’

De korte vakantie in New Orleans in het voorjaar van 1948 betekende een doorbraak in Lodeizens leven. Nadat hij lang zijn homoseksuele gevoelens onderdrukt had, voelde hij zich daar, ver van het elitaire Amherst College waar hij biologie studeerde, en nog verder van zijn ouderlijk huis, vrij genoeg om het avontuur te zoeken in hotelkamers, cafés en parken. Hij beleefde er een aantal affaires, een ontlading van de spanningen die de worsteling met zijn geaardheid had doen oplopen.

Mooie straatjongens

Loog hij aanvankelijk in brieven aan zijn ouders nog over zijn zogenaamde interesses in meisjes, toen hij na het mislukken van zijn studie weer terugkeerde in Nederland duurde het niet lang voor hij uit de kast kwam. Vlak daarvoor had hij nog in New York een relatie gehad met een Portoricaanse jongen van 14 uit de Bronx: Julio Torres die, afgaand op de in later jaren genomen foto die in Hilberdinks biografie staat afgedrukt, van onwaarschijnlijke schoonheid moet zijn geweest. Hans Lodeizen ontdekte zijn voorliefde voor mooie straatjongens, en raakte zich voor het eerst in zijn leven bewust van het leven dat zich afspeelde buiten de cocon van rijkdom en verfijnde culturele smaak waarin hij was opgegroeid. Hij begon zijn eigen anders-zijn te identificeren met maatschappelijke onderdrukking. Dat in het elitaire milieu waar hij opgroeide – zijn vader was een succesvol bestuurder in het bedrijfsleven – ook na de Tweede Wereldoorlog nog een latent antisemitisme en racisme aanwezig was, laat Hilberdink af en toe fijntjes doorschemeren, door passages uit Lodeizens brieven naar huis te citeren waarin hij zich laatdunkend over joden en negers uitlaat. Dat hij in New York en New Orleans het bed met zwarte jongens deelde, maakte van hem in zijn eigen ogen een ‘stille revolutionair’. Wat vooral aangeeft hoe wereldvreemd zijn leven daarvoor was geweest.

Hilberdinks grootste verdienste is dat zijn biografie een goed beeld geeft van hoe in de jaren veertig het leven er voor een homoseksueel uitzag. Hij achterhaalde de plekken en eigenaardigheden van de homoscenes in New Orleans, New York en Den Haag, waar Lodeizen zijn bevrijding meemaakte. En hij maakt de angst en onzekerheid invoelbaar die de toen heersende vooroordelen een coming out tot een bijzonder ingrijpende en gewaagde onderneming maakte. Maar voor dit alles had de hoofdpersoon niet per se Hans Lodeizen hoeven zijn.

De enige bundel die de dichter Hans Lodeizen tijdens leven uitgaf, Het innerlijk behang, krijgt slechts 6 pagina’s toebedeeld. Nu is Hilberdinks biografie met 220 bladzijden hoofdtekst een wel zeer beknopte, en hij put rijkelijk uit andere gedichten die direct met gebeurtenissen uit Lodeizens leven zijn te verbinden, maar de lezer krijgt zo wel een erg povere indruk van Lodeizens kwaliteit als dichter

Vader

Veel van de door Hilberdink gebruikte autobiografische gedichten hebben een uitgesproken homoseksuele thematiek. Dat juist díe bij de selectie voor Het innerlijk behang buiten de boot vielen, is lang reden geweest om te veronderstellen dat dit vanwege druk van buitenaf was – met name Hans’ vader. Toch wijst niets van wat Hilberdink beschrijft in die richting. Lodeizens selectie kwam volgens hem juist voort uit de behoefte afstand te nemen van zijn vader, om ‘te laten zien wie hij werkelijk was’. Daarnaast geeft Hilberdink voorbeelden van zeer uitgesproken gedichten die Lodeizen wel ter publicatie stuurde, of wilde sturen.

Alles wijst erop dat Hans Lodeizen de gedichten die hij koos voor Het innerlijk behang simpelweg beter vond dan de rest. Dat zijn ze namelijk ook. Dat wil niet zeggen dat de bundel een evenwichtig dichterschap toont. Daarvoor wisselt hij te veel in toon en kwaliteit. Het herinnert de lezer eraan dat het hier om een debuut gaat van een bij verschijnen 25-jarige dichter, die nog maar net op het spoor van zijn eigen identiteit was gekomen en zijn dichterschap bij lange na nog niet had gedefinieerd. Toch valt op momenten een dichter te horen die verre van puberaal, breedsprakig of twijfelachtig is: ‘ik heb zo dikwijls zo vreemde/ angst gekust in mijn dromen van/ brons en marmer dat het tenslotte/ een troost is in een regenplas/ naar de blauwe hemel te staren.’

Deze kernachtige, muzikale en filosofische dichter komt helaas nauwelijks voor in de biografie van Hilberdink. Hij is er niet in geslaagd om het ‘puber’-imago van Lodeizens werk te ontzenuwen. Maar nog los van die discussie, die voornamelijk om zinloze categorisering draait , komt er in deze biografie geen levendig beeld van de hoofdpersoon tot stand. Daarvoor is Hilberdink te veel op veilige afstand van Lodeizens dichterschap gebleven.