Afghanen steunen ISAF niet meer

Nederlandse militairen doden meer onschuldige burgers dan de Talibaan. Ze maken zich schuldig aan oorlogsmisdaden, zegt Arnold Karskens. Hij sprak gisteren voor de hoorzitting Uruzgan.

De laatste opiniepeilingen van de westerse omroepen BBC, ABC en ARD bevestigen de slinkende steun voor de buitenlandse gevechtstroepen in Zuid-Afghanistan. 45 procent van de geïnterviewden is nog blij met hen. Vorig jaar was dat 83 procent. Het verminderde enthousiasme voor de International Security Assistance Force (ISAF), waarvan Nederland samen met 36 andere landen deel uitmaakt, is begrijpelijk. Van een vredesoperatie is geen sprake. Het aantal oorlogsdoden in Afghanistan stijgt dit jaar met vijftig procent tot naar schatting 6.000.

Het is een wrang gegeven, maar de inzet van de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan en omliggende provincies draagt bij tot deze onthutsende cijfers. Dat de sympathie voor de ISAF-veiligheidsmacht bij de lokale bevolking door een kritische grens is gezakt, is duidelijk geworden na mijn laatste bezoek aan de provincie in oktober. De haat tegen alles wat buitenlander is, heb ik nooit zo sterk gevoeld. Begrijpelijk als je de groep ontheemden en nabestaanden van oorlogslachtoffers elke keer ziet groeien. Om zicht te geven op de ellende maakte ik een – voorlopige en verre van volledige – excessennota.

Tussen 9 en 19 juli 2006 vielen bij een zuiveringsoperatie in de Baluchi-vallei, district Chora, zeker 31 burgerdoden volgens ooggetuigen geïnterviewd door de Verenigde Naties. Nederlandse militairen fungeerden als flankbeveiliging en doodden volgens Haagse defensiebronnen ‘vermoedelijk achttien’ mensen. Of het hier Talibaanstrijders of burgers betrof, wordt zoals vaak niet duidelijk door de zegeheten ‘battle damage assessment’, het meestal van veraf registreren van doden op een slagveld. Daarbij kunnen burgers en strijders op één hoop worden gegooid.

Eind 2006 vonden de meeste gevechten plaats in de buurprovincie Kandahar, onder andere in september bij ‘Operatie Medussa’, en in december bij ‘Operatie Baaz Tsuka’. In maart 2007 deden Nederlanders in de provincie Halmand mee met ‘Operatie Achilles’. Bij al deze operaties nam vooral de Nederlandse luchtmacht deel en vielen volgens Afghaanse mensenrechtencommissies en lokale artsen tientallen zo niet honderden burgerslachtoffers.

In juni 2007 kwamen in het oostelijke district Khas Uruzgan 23 burgers om bij acties door buitenlandse militairen. De bron is de directeur Almer Khan van het ziekenhuis in Tarin Kowt. Nadere gegevens ontbreken.

In de nacht van 16 op 17 juni 2007 stierven ruim zeventig inwoners van het dorp Qala-e-Ragh, district Chora na urenlange beschietingen met 155mm-granaten vanaf Kamp Holland. De beschieting werd uitgevoerd zonder waarschuwing vooraf en zonder observatie in het veld. Dat is een schending van het oorlogsrecht, stelt regionaal ISAF-commandant generaal Dan McNeill. Verder ontbrak een militaire noodzaak, omdat de Nederlandse troepen zich op zo’n acht kilometer afstand bevonden in de districtshoofdstad van Chora. Het lukraak bombarderen van een dorp is een overtreding van artikel 51 van Protocol I aanvullend bij de Geneefse Conventies van 1949 en artikel 13 van aanvullend Protocol II. Dat stelt dat er voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen dat burgers niet onnodig gevaar lopen, er moet een militaire noodzaak zijn en de proportionaliteit dient in acht te worden genomen.

Op 5 augustus 2007 werd in Deh Rawod een brommerbestuurder doodgeschoten door Nederlandse militairen toen hij niet reageerde op stoptekens. In juli werd in Tarin Kowt een autobestuurder om dezelfde reden omgebracht. In geen van beide gevallen is bewijs geleverd dat het om een zelfmoordaanslag ging.

In september kwamen in het district Deh Rawod zeker honderd burgers om bij gevechten, schat het vice-districtshoofd van Deh Rawood, Hadji Mohad Naeem. Hij noemt de namen van twee dorpen, Lablan en Landyana, waar tien mensen om het leven kwamen door beschietingen uit Nederlandse gevechtshelikopters. Een Nederlands militair onderzoeksteam heeft vastgesteld dat op 25 september in Deh Rawod 65 mensen omkwamen door een bombardement aangevraagd door Nederlandse militairen.

Door bronnenonderzoek en interviews ter plaatse schat ik het aantal burgerdoden waar de Nederlandse troepen het laatste anderhalve jaar medeverantwoordelijk voor zijn op minimaal 300. Over dezelfde periode zijn de Talibaan in Uruzgan verantwoordelijk voor zelfmoordaanslagen en executies waarbij, naar mijn berekening, tussen de 50 tot 60 burgers omkwamen.

Het bizarre feit doet zich dus voor dat het Nederlandse leger, dat zegt veiligheid te brengen, vijf tot zes keer meer burgers doodt dan de opstandelingen. Ook is de ISAF verantwoordelijk voor veel gewonden. Om maar te zwijgen over de schade aangericht aan huizen en boomgaarden.

De excessen blijven militair niet zonder consequentie. Steun van bewoners aan de ISAF is zo goed als onbestaand. De invloedssfeer van de ISAF-troepen is daarom dramatisch teruggelopen.

Sinds vorig jaar augustus, toen Nederland de verantwoording kreeg als ‘leading nation’ van Task Force Uruzgan, verminderde de controle over de provincie van twintig procent tot naar schatting tien procent. De wegen naar de provincie en de wegen tussen de districtshoofdsteden worden gecontroleerd door de opstandelingen. Alleen met de inzet van zware wapens als bommen, raketten en granaten kan de ISAF verloren gebied tijdelijk heroveren, zoals de Baluchi-pas in november tijdens operatie Spin Ghar.

Een langer verblijf met de inzet van gelijke geweldsmiddelen verstrikt Nederland in een vicieuze cirkel. Het aantal burgers dat omkomt, neemt toe en daarmee het verzet tegen de buitenlandse aanwezigheid.

Arnold Karskens is oorlogsverslaggever voor het weekblad Nieuwe Revu en voor Nederlandse actualiteitenrubrieken. Hij bezocht Uruzgan unembedded vanaf januari 2006.