Sicko

Michael Moore, de Amerikaanse filmer, houdt niet van president Bush. Zelden moet ik om Moore lachen, want zijn humor is meestal aan de vette, opgelegde kant, maar als het om Bush gaat weet hij altijd onweerstaanbare filmcitaten te vinden.

In zijn tegen Bush gerichte documentaire Fahrenheit 9/11 zagen we Bush opgewonden voor de filmcamera’s verschijnen. Hij fulmineerde tegen de terroristen die een nieuwe wereldoorlog dreigden te ontketenen. Opeens ontspande hij zich en draaide zich om. Wij zagen nu pas dat hij op een golfbaan stond. De president lachte. „Kijk nu naar mijn drive”, riep hij, en hij maakte zijn zwaai.

In de nieuwste film van Moore, Sicko, zit ook weer zo’n hilarisch moment. Op een bijeenkomst zegt een vrouw tegen Bush dat ze drie banen heeft om zich financieel staande te houden. De president kijkt haar blij aan. „Drie banen?” roept hij. „Echt Amerika! Fantástisch!”

Hij blijft een ongrijpbaar fenomeen, Moore. Ik hoorde een filmjournalist zeggen dat hij in de eerste plaats een entertainer is, geen journalist. Daar zit iets in, maar tegelijk onderschat men daarmee de onmiskenbare kracht van zijn documentaires. Als kijker weet of vermoed je dat hij overdrijft, soms zelfs manipuleert, en toch ga je door de knieën voor zijn boodschap. Op een of andere manier weet hij je ervan te overtuigen dat er een kern van waarheid in die boodschap zit.

Moore is een filmpamflettist. Hij klaagt op felle toon aan, als een officier van justitie. Het is alsof hij ons, zijn publiek, als rechters beschouwt en zegt: „Dit is de kwestie. Wat vinden jullie ervan? Dit kán toch niet?”

Sicko gaat op het eerste gezicht over een kwestie die ons in Europa niet raakt: het systeem van de Amerikaanse gezondheidszorg. Vijftig miljoen Amerikanen zijn niet verzekerd, omdat ze het niet kunnen betalen of geweigerd worden, 250 miljoen Amerikanen zijn wél verzekerd maar krijgen vaak niet de vereiste behandeling omdat ze belazerd worden door de verzekeringsinstanties. Moore heeft zich op die 250 miljoen landgenoten gericht, en juist omdat het om de middenklasse gaat, ervaar je hun problemen als de jouwe.

Een ouder echtpaar – journaliste en vakbondsman – gaat bankroet. Ze zijn zwaar ziek en moeten hun huis verkopen om de behandelingskosten te betalen. Er zit niets anders op dan bij hun kinderen in te trekken. De verzekeringsmaatschappij heeft een reden gevonden om hun kosten niet te vergoeden. Daar leggen veel maatschappijen zich op toe – een ex-medewerker, een arts, vertelt dat zij geacht werd tien procent van de claims af te wijzen, hoe dan ook.

Moore reist af naar het buitenland – onder meer Engeland, Frankrijk en Cuba – om te laten zien hoe het beter en humaner kan. Op Cuba laat hij zich gruwelijk misbruiken voor een staaltje onvervalste regeringspropaganda. Ook is zijn voorstelling van de situatie in die andere landen misschien te rooskleurig, maar toch worden wij, bewoners van die landen, op niet mis te verstane manier impliciet gewaarschuwd: voordat je je verzorgingsstaat afbreekt, moet je even komen kijken hoe wij dat in de Verenigde Staten oplossen.

Toen de film uitkwam, was ik zowaar even trots op mijn landje, inclusief „die VOC-mentaliteit, toch?”