‘Nog zo’n prijs zou ik niet overleven’

Dinsdag worden in Stockholm de Nobelprijzen uitgereikt. Wat doet zo'n onderscheiding met een wetenschapper? Biochemicus Peter Agre (nu 59) kreeg de prijs der prijzen in 2003, op relatief jonge leeftijd.

Sander Voormolen

„Iedere wetenschapper heeft wel eens die prettige dagdroom van een telefoontje uit Stockholm”, zegt de Amerikaanse biochemicus Peter Agre. Voor hem werd die droom waar in 2003.

Op bezoek bij zijn Nederlandse collega en vriend Peter Deen (Radboud Universiteit) kijkt hij terug op zijn uitverkiezing als Nobelprijswinnaar. „Ik wist wel dat ik af en toe genoemd werd, maar toen het zover was, kwam het toch nog onverwacht. Ineens sta je dan in het middelpunt van de belangstelling.” Hij geeft een bescheiden knikje naar zijn gastheer Deen. „De prijs gaat naar één persoon, maar de ontdekking is natuurlijk het resultaat van de bijdragen van veel mensen in het veld.”

Agre kreeg de Nobelprijs chemie in 2003 voor zijn ontdekking – twaalf jaar eerder – van zogeheten aquaporines, moleculaire kanaaltjes in celmembraan die water doorlaten. Agre kreeg de prijs op relatief jonge leeftijd, toen hij 54 was. Nadien begon hij een tweede carrière, als malariaonderzoeker. Hij probeert de parasiet nu aan te pakken door de waterkanaaltjes ervan te blokkeren. Tot dusver echter zonder succes. Agre vertelt dat hij als Nobelprijswinnaar constant moet opboksen tegen hoge verwachtingen. „Mensen verwachten echt wonderen van je. Ik werd ineens gezien als een onfeilbare chemicus. Je voelt mensen om je heen denken: doe dat trucje nog een keer.” Hij denkt even na, en zegt dan lachend: „Maar ik denk niet dat ik een tweede Nobelprijs zou overleven.”

Agres ontdekking van de waterkanaaltjes is een klassiek verhaal van een wetenschappelijke vondst. „Voordat wij ze vonden, waren veel wetenschappers erg sceptisch over het bestaan van waterkanaaltjes”, zegt Agre, die destijds een onderzoeksgroep leidde aan de Johns Hopkins University School of Medicine in Baltimore. „Wij geloofden er wel in. We hadden een gen geïsoleerd van een eiwit dat volgens ons zo’n waterkanaaltje was. We zetten dat om in boodschapper-RNA dat de instructies bevat voor het maken van het bijbehorende eiwit. We wilden zien wat er zou gebeuren als je het eiwit liet produceren door een kikkerei. We injecteerden wat van dit RNA in een eitje van de klauwpad. Eitjes van kikkers en padden zijn slecht doorlaatbaar voor water. Mét het eiwit zou door het waterkanaaltje water van buitenaf naar binnen kunnen stromen.”

Het werkte zo goed, dat de onderzoekers er zelf van schrokken, vertelt Agre. „Het eerste eitje ontplofte vrijwel onmiddellijk. En de zes erna ook. De verbaasde postdoc kwam mijn kamer binnenrennen om te vertellen dat het werkte. Het was ons eureka-moment. Dat voelt alsof je een flinke stoot cafeïne binnen hebt gekregen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje. We vertelden ons verhaal aan collega’s binnen de Johns Hopkins en binnen een week kregen we telefoontjes uit de hele wereld van wetenschappers die ook dat RNA wilden hebben.”

Na de sleutelontdekking van Agre hebben wetenschappers nog heel veel andere soorten waterkanaaltjes gevonden. Bij zoogdieren zijn ze genummerd: aquaporine-0 tot en met -12. De kanaaltjes spelen een onmisbare rol in de waterhuishouding van bacteriën, planten en dieren, inclusief de mens. Defecte waterkanaaltjes zijn in verband gebracht met allerlei ziektes, van suikerziekte en obesitas tot taaislijmziekte.

Ten tijde van de Nobelprijsuitreiking waren de verwachtingen dan ook hoog gespannen dat de moleculaire kennis van aquaporines spoedig zou leiden tot nieuwe methoden om deze ziekten te behandelen. Maar nieuwe medicijnen zijn er nog niet, moet Agre toegeven. „Er zijn nog steeds mogelijkheden om die in de toekomst wel te vinden, maar ik wil de hoop voor patiënten niet onrealistisch hoog opschroeven. Wel begrijpen we door dit onderzoek beter waarom sommige medicijnen werken. Bijvoorbeeld corticosteroïden die gebruikt worden bij te vroeg geboren kinderen met onderontwikkelde longen. Dit middel stimuleert de aanmaak van aquaporine-1 in het longepitheel, waardoor het vruchtwater uit de longen wordt gepompt en zij geschikt worden voor gasuitwisseling.”

De Nobelprijzen bewijzen de wetenschap een goede dienst, volgens de Amerikaan. „Ze trekken de aandacht van het publiek naar de wetenschap. Dat is goed, want ik denk dat wij als wetenschappers uitleg verschuldigd zijn aan de belastingbetalers die ons onderzoek mogelijk maken. De vooruitgang in de wetenschap is anders vaak zo onzichtbaar, zo vanzelfsprekend bijna. Veel van wat we bereikt hebben passeert onopgemerkt.”

De laatste jaren gaan de Nobelprijzen opvallend vaak naar Amerikaanse onderzoekers. Volgens Agre is dat slechts schijn. „Nee, integendeel, er zijn helemaal niet zoveel Amerikanen onder de Nobellaureaten. Het zijn veel Europeanen die naar de VS zijn gekomen, dat wel. Maar dat mensen aan Amerikaanse universiteiten vaak zo goed scoren, is omdat de VS altijd heel aantrekkelijk zijn geweest voor jonge buitenlandse onderzoekers. En ik denk dat dat gaat afnemen. Het is moeilijker om een werkvergunning te krijgen en de uitwerking van Amerika’s desastreuze buitenlandse politiek blijft ook niet uit. China en Japan zijn nu enorm in opkomst, daar zullen we nog veel van gaan zien. Maar uiteindelijk denk ik dat het land dat de meeste jonge onderzoekers zal weten te trekken het meeste succes zal hebben in de wetenschap.”