Moralisme versus Realpolitik

„Een moralisme is in de plaats van het socialisme gekomen.” Dit schreef ik vorige week over de sociaal-democratie, die eigenlijk haar doelen heeft bereikt en haar voornaamste taak nu vindt in het verdedigen van de verworvenheden van de laatste honderd jaar – een in wezen conservatieve taak dus.

Maar iedere beweging heeft een ‘hogere’ rechtvaardiging nodig dan het behoud van eigen goed of, om het onaardig het zeggen, iedere modderschuit heeft een vlag nodig. En zo is het moralisme in de plaats van het socialisme gekomen. (In de PvdA en haar voorgangster, de SDAP, speelden trouwens dominees bij tijden toch al een grote rol.)

De eerlijkheid gebiedt mij evenwel te bekennen dat ik de uitspraak over het moralisme als plaatsvervanger van het socialisme ontleend had aan een Frans tijdschrift, waarin ik haar vond. Het is een indirecte ontlening, want het tijdschrift zelf heb ik niet in handen gehad. Een tijdschriftenrubriek in de Frankfurter Allgemeine had er een citaat uit overgenomen, en zo vond ik die uitspraak.

Het Franse tijdschrift heet Eléments en wordt de spreekbuis van ‘la Nouvelle Droite’ genoemd. Betoogd wordt dat links het „socialisme door een humanitair, huilerig moralisme heeft vervangen”, omdat links al een kwarteeuw geen maatschappelijk concept meer heeft. De schrijver van het artikel ziet voor links alleen toekomst in een herbezinning op de „revolutie tegen het kapitalisme”. Voor een rechts auteur een merkwaardige uitspraak, maar daarom nog niet onjuist.

Overigens gaat de uitspraak over een moralistisch geworden sociaal-democratie niet op voor alle sociaal-democratische partijen. In Duitsland verdedigt zij eerder een realpolitisch beleid, terwijl de christen-democratie opkomt voor de mensenrechten in China en Rusland. De sociaal-democratische minister van Buitenlandse Zaken (en sinds kort vicebondskanselier), Frank-Walter Steinmeier, noemt die politiek van zijn bondskanselier, de christen-democraat Angela Merkel, „etalagepolitiek” en „zelfbewierroking”.

Steinmeier zet hier de traditie voort van bondskanselier Gerhard Schröder (wiens kabinetschef hij was), die talloze malen in China op bezoek ging en een Männerfreundschaft met Poetin onderhield. De Duitse industrie beviel deze politiek uitstekend. Merkel daarentegen ontvangt de Dalai Lama van Tibet op haar bureau en roept om die reden China’s toorn over zich af.

Ook in Nederland is er een coalitie tussen christen- en sociaal-democraten, maar vooralsnog zijn er geen tekenen dat beide partijen op dit gebied met elkaar van mening verschillen. Van minister van Buitenlandse Zaken Verhagen (CDA) hebben we tot dusver niet veel meer gehoord dan dat hij het mensenrechtenbeleid wil ‘aanscherpen’, en van minister Koenders (PvdA) is geen protest vernomen.

Nu kan van een klein land, dat bovendien als ‘domineesland’ sowieso een moralistische traditie heeft, niet gauw verwacht worden dat het een Realpolitik gaat voeren. Wij zoeken onze grootheid, een bekend woord van koningin Emma getrouw, eerder in het recht, inclusief de mensenrechten. Of anderen ons daarin volgen en dit beleid dus succes heeft, schijnt van minder belang.

Zo is het toch niet altijd geweest. Zo’n 25 jaar geleden was links in Nederland over ’t algemeen nogal huiverig om al te luid op de trommel te slaan wat de mensenrechten in Oost-Europa betreft. Het was geen Realpolitik die links daartoe dreef, eerder vrees de Russen te mishagen en daardoor de spanning tussen Oost en West te verhogen.

In die jaren bekeek links de Poolse verzetsbeweging Solidarnosc met enig wantrouwen. Niet alleen was die beweging heel erg rooms, maar bovendien bracht zij de ontspanning maar in gevaar. Dus liever de status quo handhaven. Ook weer een in wezen conservatieve reactie dus. Vrijwel de enige die zowel verzet tegen atoomwapens preekte als steun aan de dissidenten in Oost-Europa, was Mient Jan Faber van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), maar bij zijn volgelingen – en dat waren er honderdduizenden – vond hij meer gehoor voor zijn eerste dan voor zijn tweede boodschap.

Nu viel er, zolang de Koude Oorlog duurde, alles voor te zeggen om op te komen voor de mensenrechten in Oost-Europa – niet alleen in moreel maar ook in realpolitisch opzicht. Daardoor immers werd de macht van de Sovjet-Unie in Oost-Europa ondermijnd, en dat was in het voordeel van het Westen. Mensenrechtenbeleid niet zozeer als doel, maar als middel in de Koude Oorlog. Daarvan moest links echter niets weten.

Nu is echter de Koude Oorlog voorbij en hoeven we niet meer bang te zijn voor oorlog (toen trouwens ook niet, maar dit is achteraf praten). Links kan dus, bij gebrek aan andere bezielende idealen, zich rustig gaan wijden aan mensenrechten en andere zedelijke doeleinden. Zo ver als Mient Jan Faber, die achter de oorlog in Irak staat, gaat links nog niet, maar in verlenging van de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan stemt het toch toe.

Wat echter links én rechts vaak uit het oog verliezen is dit: mensenrechten is een typisch westers concept, dat andere volken en culturen vaak volkomen vreemd is. Als wij door de missie bezield zijn de mensenrechten overal te verbreiden, dan is dat natuurlijk heel mooi, maar moeten we wel beseffen dat anderen dit als een soort imperialisme zien – vooral als dit met wapenen gebeurt. En eerlijk gezegd: is een moreel imperialisme ook niet een imperialisme?

Een ander punt is ook de moeite van het overwegen waard. Het is jaren geleden eens door het – overigens slechts in naam – liberale Eerste Kamerlid Harm van Riel als volgt onder woorden gebracht: „Wanneer wij volkomen rechtmatig met rechtsnormen werken, ziet een ander daarin toch niet veel anders dan de projectie van wat misschien feitelijke machteloosheid is. Op dat ogenblik heeft het gebruik van rechtsargumenten belangrijk aan waarde verloren.” (Ik zou liever zeggen: aan effectiviteit.)

Geldige juridische en zedelijke argumenten zijn moeilijk tegen te spreken. Daarom doen onze bewindslieden er goed aan, wanneer deze argumenten bij hun collega’s niet op tegenspraak stuiten of, sterker, beaamd worden, hieruit niet de conclusie te trekken dat ze op hun steun kunnen rekenen.

Een recent voorbeeld uit de praktijk van de werkelijke wereld: president Sarkozy feliciteert president Poetin met de uitslag van de verkiezingen in Rusland – verkiezingen die volgens de Europese Unie niet conform „de internationale normen en door Rusland vrijwillig aanvaarde verplichtingen” verlopen waren.

Welke illusies koestert minister Verhagen omtrent het effect van zijn aanscherping van Nederlands mensenrechtenbeleid, wanneer een land als Frankrijk voorrang geeft aan zijn nationale belangen boven de mensenrechten, waarvan het recht op democratie er een is? Om niet te spreken van de doodsteek die Sarkozy’s soloactie toebrengt aan de eenstemmigheid van Europees beleid.